DE HEER IS HAAR HERDER

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

De Heer is mijn Herder : mij zal niets ontbreken.
Hij doet mij nederliggen in grazige weiden.
Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren.
Hij verkwikt mijne ziel; Hij leidt mij in het spoor
           der gerechtigheid.
Al ging ik ook in een dal der schaduwe des doods,
           ik zou geen kwaad vreezen.

Der vrome Herder was de Heer!
   Hij liet haar niets ontbreken.
Hij had haar tachtig jaar geleid
In ’t spoor van zijn gerechtigheid,
   Aan stille beken.

Hij had haar ziele staâg verkwikt
   In klaverrijke weiden
Maar of Hij gaf dan of Hij nam,
Zij bleef baars goeden Herders lam
   En – liet zich leiden

Als weduw was ze niet alleen,
   In nooddruft niet verlegen;
En ging haar pad langs menig graf,
Haar troostte ’s Heeren stok en staf
   Op deze wegen.

Haar leven was een lang akkoord
   Van stil geloofsvertrouwen
Een liefelijke wedergalm
Van ’s Herders zachten vredepsalm
   In vreugde en rouwe.

Die psalm – het was haar pelgrimslied
   Op ’s levens lange reize
Ook nu, ten dierbren tempelgang
Misschien – haar stille zwanenzang,
   Haar zielsgepeize.

„Mijn Herder was der Heeren Heer;
   Ik ben zijn deel gebleven.”
In iedren trek van ’t vroom gelaat,
Kalm van geloof en hope, staat
   Dat woord geschreven.

Stille ootmoed, die daar schromend wacht
   Op Gods gewijden drempel,
Die Heer, in Wien gij hebt vertrouwd,
Heeft in uw hart zijn huis gebouwd,
   Zijn eeuwgen tempel.

O, grijze vroomheid, lang beproefd,
   O, heilge, eerbiedwaarde!
Gij wordt gekroond reeds in den tijd;
En de avond van uw dag vol strijd
   Straalt vrede op aarde!

Met eerbied, naar uw buigend hoofd
   Ziet om het oog der reinen;
Uw kalmte leert, uw hope sticht,
En spreidt een glans van hooger licht
   In ’t hart der kleinen.
1853