’T WAS TOCH DE HOVENIER

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

Zij, meenende dat het de hovenier was.

Joh. XX: 15.
’t Was toch de Hovenier, Hij, die in Jozefs gaarde
   Uw schreiend oog verscheen, o droeve, teedre vrouw,
Toen niets meer dan een lijk uw schat was op deez’ aarde,
   En alles wat gij zocht in groote zielerouw!

’t Was toch de Hovenier, Hij, die begon te vragen:
   Wien zoekt gij? – die u straks Maria! tegenriep,
En met zijn woord het licht deed in uw ziele dagen
   En in een paradijs uw woestenij herschiep!

’t Was toch de Hovenier! De knoppen gingen open,
   Gereed te sterven op den akker van ’t gemoed,
De knoppen van geloof en liefde en vreugde en hope,
   Bij ’t ruischen van zijn uchtendgroet.

Zij wachtten op zijn dauw, zij smachtten naar zijn zegen,
   De kiemen aller deugd, de bloemen van het hart:
Zijn woord was voor haar groei de wondre lenteregen,
   Zijn blik de milde zon, na winterkoude en smart!

Ze ontloken om niet weër te sterven, maar te bloeien,
   o Langer dan een lente-, een schoonen zomerdag,
Om, door Zijn zorg gekweekt, in ’t diepst der ziel te groeien,
   Hoe menig bloem der aard het oog verwelken zag! 

’t Was toch de Hovenier! En, wie in ’s levens gaarde
   Dien Man niet heeft ontmoet, Maria, zoo als gij,
Zijn ziele schreit en smacht, al bloeit de zonnige aarde,
   En zoekend waart hij om in ’t lentefeestgetij.
1859

[Genestet pagina] [Coster pagina]


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001