t Was toch de Hovenier, Hij, die in Jozefs gaarde Uw schreiend oog verscheen, o droeve, teedre vrouw, Toen niets meer dan een lijk uw schat was op deez aarde, En alles wat gij zocht in groote zielerouw! t Was toch de Hovenier, Hij, die begon te vragen: Wien zoekt gij? die u straks Maria! tegenriep, En met zijn woord het licht deed in uw ziele dagen En in een paradijs uw woestenij herschiep! t Was toch de Hovenier! De knoppen gingen open, Gereed te sterven op den akker van t gemoed, De knoppen van geloof en liefde en vreugde en hope, Bij t ruischen van zijn uchtendgroet. Zij wachtten op zijn dauw, zij smachtten naar zijn zegen, De kiemen aller deugd, de bloemen van het hart: Zijn woord was voor haar groei de wondre lenteregen, Zijn blik de milde zon, na winterkoude en smart! Ze ontloken om niet weër te sterven, maar te bloeien, o Langer dan een lente-, een schoonen zomerdag, Om, door Zijn zorg gekweekt, in t diepst der ziel te groeien, Hoe menig bloem der aard het oog verwelken zag! t Was toch de Hovenier! En, wie in s levens gaarde Dien Man niet heeft ontmoet, Maria, zoo als gij, Zijn ziele schreit en smacht, al bloeit de zonnige aarde, En zoekend waart hij om in t lentefeestgetij.
[Genestet pagina] [Coster pagina]
Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001