aan
W.S., Theol. stud.
Wat gij in uw liefste droomen Ooit in uw God hebt afgebeên, t Kerkje tusschen lindeboomen, t Vroolijk landschap om u heen; Velden, die van welvaart ruischen, t Rookwolkje uit de bonte kluizen, Al de liefde van dat oord: Op uw avondwandelingen Kleinen, die zich om u dringen, Grijsaards, luistrend naar uw woord. Laat die toekomstidealen, Van Gods zegen overstort, Steeds uw weg, uw hart bestralen, Waar het somtijds donker wordt; Zoo geen vriendlijke aangezichten Meer t gezellig pad verlichten, Eens met bloemen overspreid, Zoudt gij schromen, zoudt gij vrezen? Mag de weg niet eenzaam wezen, Die u naar uw dorpje leidt?
1847
[Genestet pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.