Als u het hart tot spreken dringt,
Zoo spreek!
Maar wat gij spreekt of preekt of zingt,
Hou steek!
Nooit rake uw bol, wat zeng of zied,
Van streek!
Kort, krachtig zij uw toast, uw lied,
Uw preek!
Geef nimmer, zonder zin of slot,
Geluid!
En snoer, beleefd maar vrij, den zot
Den snuit!
Zeg, wat gij meent, waar plicht gebiedt,
Recht uit!
De dwaas alleen verschiet om niet
Zijn kruit.
En zoo uw proza rolt en staat,
Hoezee!
Maar zoo gij straks in t Rijm vergaat,
O wee!
Wees met uw stijl, zoo flink, zoo vrij,
Tevreê!
Want Proza, man, en Poëzij
Zijn twéé!
Gij, zanger, wien de boezem brandt,
Hef aan!
Uw lied zij ons een vriendenhand
Of traan!
Maar weg met ijdle dichtersmart
En waan!
Gezond zij hoofd en harp en hart
Verstaan?
Geef, Meester in de kunst, kritiek,
Maar wik!
En scherm niet voor uw eigen kliek
Of ik!
Ei, gun den dommen dwaas geen rust,
Pik, prik!
Maar schreeuwt ge uit nijd of luim of lust,
Zoo stik!
Weet, wat gij zegt; denk, eer gij schrijft
Of dicht;
Maar zoo gij eeuwig wischt en wrijft,
Zoo zwicht!
Een warkop, wat hij broedt of doet,
Ontsticht;
Een helder hoofd, een rein gemoed
Brengt licht!
[Genestet pagina] [Coster pagina]
Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001