AAN IEDEREEN

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

Als u het hart tot spreken dringt,
     Zoo spreek!
Maar wat gij spreekt of preekt of zingt,
     Hou’ steek!
Nooit rake uw bol, wat zeng of zied,
     Van streek!

Kort, krachtig zij uw toast, uw lied,
     Uw preek!
Geef nimmer, zonder zin of slot,
     Geluid!
En snoer, beleefd maar vrij, den zot
     Den snuit!
Zeg, wat gij meent, waar plicht gebiedt,
     Recht uit!
De dwaas alleen verschiet om niet
     Zijn kruit.

En zoo uw proza rolt en staat,
     Hoezee!
Maar zoo gij straks in ’t Rijm vergaat,
     O wee!
Wees met uw stijl, zoo flink, zoo vrij,
    Tevreê!
Want Proza, man, en Poëzij
     Zijn twéé!

Gij, zanger, wien de boezem brandt,
     Hef aan!
Uw lied zij ons een vriendenhand
     Of traan!
Maar weg met ijdle dichtersmart
     En waan!
Gezond zij hoofd en harp en hart –
     Verstaan?

Geef, Meester in de kunst, kritiek,
     Maar wik!
En scherm niet voor uw eigen kliek
     Of ik!
Ei, gun den dommen dwaas geen rust,
     Pik, prik!
Maar schreeuwt ge uit nijd of luim of lust,
     Zoo – stik!

Weet, wat gij zegt; denk, eer gij schrijft
     Of dicht;
Maar zoo gij eeuwig wischt en wrijft,
     Zoo zwicht!
Een warkop, wat hij broedt of doet,
     Ontsticht;
Een helder hoofd, een rein gemoed
     Brengt licht!
1850.

[Genestet pagina] [Coster pagina]


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001