TOEN IK EEN KNAAP WAS

P.A. de Génestet (1829 –1861)

Toen ik een knaap was in ’t zorglooze leven,
   Gordde ik mij-zelven en liep naar mijn lust;
Vrij in mijn wandlen en zoeken en streven,
   Vrij in mijn reizen, mijn droomen, mijn rust.
 
Straks ook voor mij is een ure gekomen,
   Ure van roeping, van ernst, van genâ,
Dat in mijn boezem die stem werd vernomen
   Hebt gij mij lief? – en mijn ziele sprak : Ja.
 
Sinds mij dat uur uit mijn droomen kwam wekken,
   Leidt mij een ander, ook waar ik niet wil,
Leert mij de handen steeds williger strekken,
   Volgen en dragen, ach, vroolijk of stil.
 
Toch, nu die Meerdre gebiedt in mijn leven,
   Vinde ik, trots banden en zielstrijd en smart,
Wat ik eens vruchteloos zocht in mijn streven:
   Vrijheid en vrede voor ’t rusteloos hart.

[Genestet pagina] [Coster pagina]


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001