Daar is een tijd van komen, Daar is een tijd van gaan: Dat hebt gij meer vernomen, Maar hebt gij t ook verstaan? O wie het mag doorgronden, Dat spreekwoord zoo vol zin, Die kent der Liefde wonden, De weelden van de min. Dien mochten oogenblikken Soms uren wreeder pijn, En uren van verkwikken Soms als sekonden zijn. Die heeft met bevend schromen Vaak in zijn luistrend hart Een lieven tred vernomen, Vernomen uit de vert; Maar liet ook vele reizen Zijn ziele bij zijn schat, En ging die spreuk bepeizen Stil op zijn eenzaam pad. Die heeft in t zoete leven, Vol leed en lieflijkheid, In jonkheids rijke dreven Genoten en geschreid; En in zijn stiller harte Zich reeds een schat vergaerd Van weemoed, liefde, smarte, Dien hij getrouw bewaart. Die weet, wij armen boeten, Wij boeten wreed en snel, Vast menig lief ontmoeten Met menig lang vaarwel. Die ziet ook, in zijn droomen, Langs schemerende paën, Soms vrienden wederkomen, Die ver zijn weggegaan. Die treurt om Lenteweelden, Maar jaagt niet meer vooruit, Als toen zijn vingren speelden In t haar der blonde bruid. Die denkt, sinds enkle jaren, Bij t komen van het groen, Aan t vallen van de blaęren In t stemmende saizoen. En in de najaarsvlageri, In t dwarlen van de blaen, Hoort hij een stenime klagen Van komen en van gaan. Die blikt soms lange, lange Terug in zijn weleer, En t wordt hem bange, bange, En t leven buigt hem neer. Hij peinst: nog pas gekomen, Pas gistren, en zoo veer Reeds op de snelle stroomen Van t wondre, diepe meer? Hij voelt zijn moeders kussen Nog gloeien op zijn wang, En hoort al ondertusschen Een dierbren wiegezang. Hij ziet zich zelven stoeien Met knapen op het duin, En reeds zijn kindren groeien En bloeien in zijn tuin .... En midden in den zegen, De trooste van zijn God, Stroomt hem de weemoed tegen Van t wisslend menschenlot Daar is een tijd van komen, Daar is een tijd van gaan Dat hebt gij meer vernomen, Maar hebt gij t al verstaan? O, wie het mag verklaren Dat spreekwoord, zoo vol smart, Die leefde luttel jaren, Maar leefde met zijn hart, Die voelt van al dat komen, Dat komen en dat gaan Van menschen, dingen, droomen, Zich moe en onvoldaan; En zoekt met sterk verlangen Naar Een, die komt en blijft, Wien hij aan t hart kan hangen, Waar alles benen drijft. Die weet een klok van scheiden Luidt rustloos door het dal, En leerde zich bereiden, Bereiden voor t geval; En haakt met alle vromen Naar t oord, waar vroeg of laat Weer allen samenkomen En niemand henengaat.
[Genestet pagina] [Coster pagina]
Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001