KOOSJE

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

Op ’t kleine dorp en ver in ’t rond
   Kent ieder Juffrouw Koosje,
En jong en oud om ’t liefst verkondt
   Den lof van ’t Geldersch roosje.

De mooie Juffer is zoo goed;
   Een ieder ziet haar geerne,
Haar doopnaam klinkt den grijsaard zoet,
   En zoet der kleinste deerne.

De vriendlijkheid lacht uit haar oog!
   Schoon rijk en hooggeboren,
Zij draagt het lieve hart niet hoog,
   De eenvoudige uitverkoren.

Haar milde hand, uit de’ overvloed,
   Weet wél en wijs te geven
Maar rijker is haar frisch gemoed
   Vol liefde, geest en leven.

Zij heeft voor elk een woord, een blik
   Haar lacht het schuchtre koontje
De stumper, bij haar gullen knik,
   Denkt in zijn hart: God loon’ ’t je !

’t Boerinnetje blikt gansch bekoord
   Haar dikwerf na, een poosje
Als Brecht van englen leest in ’t Woord,
   Dan denkt ze aan Juffrouw Koosje.

’t Is vreemd, daar kan geen ruwe knaap
  Haar zachtblauw oog verdragen;
Maar Trientje toch, dat schichtig schaap!
  Geeft antwoord op haar dragen.

Ook heeft ze een toon, ook heeft ze een slag
   Om ieder toe te spreken,
Dat vaak haar woord iets meer vermag,
   Dan Hellenbroek zijn preeken!

Haar stemme vindt een open oor,
   Zelfs bij verharde zinnen –
Waar Dominé zijn tijd verloor
   Mocht Koosje nog verwinnen!

Want niemand is zoo lief als zij,
   Zoo needrig en welmeenend;
Rijk hartje, met de blijden blij,
   Met al die weenen, weenend!

Waar zorge drukt, waar armoę schreit,
   Daar komt zij aangevlogen,
Een zuster van Barmhartigheid,
   Met vrome, vriendlijke oogen!

Een Heer-oom wist niet hoe hij ’t had
   Toen Koosje in ’t arme huisje
Laatst knielend met hem medebad –
   Al maakte ze ook geen kruisje!

              * * *

Maar wie is ’t Koosjen, in dit lied
   Zoo teederljk geprezen?
Zij moog voor u (’k verklap haar niet)
   Een beeld der liefde wezen!
1858

[Genestet pagina] [Coster pagina]


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001