Kracht

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

Ik wenschte mij een koopren kop,
    Koel, vaardig te aller uur;
Geen mijmrend hoofd, nu licht, dan zwaar,
Straks breekend, berstend uit elkaêr,
    Vol strom of zand of vuur.

Een hart, dat, als een friesche klok,
    Sloeg met gelijken klop!
Geen ding, bij ieder vreugd en smart,
Bij ieder tochtjen uit de vert’,
    In driftigen galop.

Ik wenschte mij een effen blik,
    Een onbeweeglijk ook,
Dat nooit verried, wat liefde of haat,
Wat lust of luim, of goed of kwaad
    Van binnen mij bewoog.

En voorts – een forschen lichaamsbouw,
    Een grof gespierde knuist;
Wie met de kracht des vleesches lach’,
Iets olifantisch’ baart ontzag
    En ’t geestje vreest de vuist.

Ik wenschte, ik ware een dikke reus,
    Geboren Stïcijn!
Zoo wandelde ik door ’t leven rond,
Flegmatisch, kalm, bedaard, gezond,
    En kende strijd noch pijn...

O lach niet: ’k zweer u dat ge mij
    Niet om dit liedje lacht!
Deez’ prozawensch, deez’ prozakreet
Is vol verborgen zieleleed –
    Eens teedren dichters klacht.


1858

[Genestet pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.