KRITIEK

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

I.

Mijn boezem juicht u toe, waar, machtig en welsprekend,
          Van voorhoofd rein, van hoofd gezond,
Uw rechten op de Faam en op ’t vooroordeel wrekend,
          Gij fiks uw oogen slaat in ’t rond!
Waar gij den dwerg verplet, die zich een reus verbeeldde,
          Den kikvorsch, die zich zwellen doet;
Waar gij den jongling gispt, die zijn talent verspeelde,
          De dwaasheid of den overmoed;
Waar ge uit den laffen roes der onverdiende glorie
          De helden van één avond wekt;
Waar gij het stof blaast van de rollen der historie,
          Of ginds een nieuwe star ontdekt 1
Waar gij de nevelen van damp en schijn doet zwichten,
          Als gij uw helder voorhoofd toont;
Waar gij komt heerschen, of beschermen en verlichten,
          Maar rang, noch jaren zelfs, verschoont;
Waar gij de rijen der onsterfeljke genieën
          Doet scheuren voor een nieuwen naam,
En ’t versch gelauwerd volk dringt op de trotsche knieën
          Voor ’t stiefkind eenmaal van de Faam!
Waar gij, met kalmen tred, voor allen eerbiedwaardig,
          In ’t stuivend kamp der lettren treedt –
Met opgehaald vizier, ook in uw wraak grootaardig,
          Een engel Gods in ’t witte kleed!
Waar gij, der waarheid trouw, uw zinlooze eeuw komt richten,
          En, donkre muze der kritiek,
Van hooger schoonheid blinkt bij ’t snorren van de schichten
          En ’t knallen van de strijd-muziek.
Ja, ’k min u nog, waar ge als een adelljke schoone,
          Met vonklend oog en heldren blos
In ’t statig golvend kleed der strijdbare amazone
          De toomen viert aan ’t steigrend ros;
Als een hooghartig kind van koninklijken bloede,
          Dat, licht verbolgen en ontsticht,
De zilvren rijzweep zwiept door ’t luchtruim, en in woede
          Den hoovling striemt door ’t aangezicht.

II.

Maar wee u, waar ge, uw plicht, uw eer, uw rang vergeten
         (Een Furie van ons marktplein!) scheldt
En raast; en met een heir van woede- en lasterkreten,
         Maar zonder oordeel, vonnis velt.
Wee, waar ge – uw handen vol met zinlooze pamfletten
         Waarin Partijzucht blaast en schimpt,
En die ge ons opdischt voor orakelen en wetten,
         De vrije Pers als troon beklimt!
Of waar gij optreedt, met de jaloezie in de oogen,
         Maar met een mom voor ’t aangezicht,
En huichelaarster! als gij laster spuwt en lagen,
         Zweert dat ge in naam der waarheid richt:
O strenge Muze, wee, waar ge als een halfontzinde,
         Een heks, in wie geen kind gelooft,
Met schele blikken loert en rondtast in den blinde
         En schaamtloos naam en eere rooft!
Of waar gij, kind der eeuw, die ’t al tot handelswaren
         Verneęrt, en ’t goud als Koning groet,
Partij trekt van ’t geloof der lichtverleidbre scharen
         En de eerzucht van het laag gemoed –
Waar, geen maîtresse zelfs van weinige uitverkoornen
         En lievelingen der Fortuin,
Gij hun uw rozen schenkt, en schimpend al uw doornen
         Stort op eens armen minnaars kruin....
Neen, waar ge uw lof, uw gunst aan ieder gaat verkoopen,
         En ’t beeld draagt van een slechte vrouw,
Wier ademtocht de ziel des jongen kunstenaars sloopen
         En ’t rijk der kunst verpesten zou....
Had niet een kunstenaar nog wel zooveel bloed in de aęren
         En zooveel eerbied voor zich-zelf,
Dat hij (en zonder drift!) u sleurde bij de haren
         Van uit uw donker spookgewelf!
1846.

[Genestet pagina] [Coster pagina]


Ingezonden door J.R. van Wijk op:  19-07-01