De stomme vroeg den blinde:
Zaagt ge ook den harpex~.aar?
Zoo ge ergens hem ontmoette,
Verplicht me en zeg me waar?
Ik-zelf geef juist zoo veel niet
Om harp- of citertoon,
Maar de oude moest eens spelen,
Kijk, voor mijn dooven zoon.
Dé blinde sprak: ik zag hem
Een oogenblik geleên;
Mijn lamme knecht zal aanstonds
Hem zoeken; knaap, loop heen!
Nu slaat, op s meesters wenken,
De kreupele in den draf;
En holt, den harpnaar roepend,
De straten op en af.
De kunstnaar is gevonden,
Hij komt en buigt en groet ;~
Geen armen had de stumper,
Hij speelde met zijn voet.
Hij speelt: elk schijnt betooverd,
De doove is enkel oor,
De blinde zet groote oogen,
De stomme zingt een koor.
De lamme springt van geestdrift
Omhoog met alle macht;
t Kupstlievende gezelschap
blijft saâm, laat in den nacht,
En bij het afscheid nemen
Is, met des harpnaars kunst,
t Publiek tot in de wolken,
Hij dronken van hun gunst!
[Genestet pagina] [Coster pagina]
Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001