DE KUNSTENAAR EN ZIJN PUBLIEK

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

De stomme vroeg den blinde: 
             Zaagt ge ook den harpex~.aar? 
Zoo ge ergens hem ontmoette, 
             Verplicht me en zeg me waar? 
Ik-zelf geef juist zoo veel niet 
             Om harp- of citertoon, 
Maar de oude moest eens spelen, 
             Kijk, voor mijn dooven zoon. 

Dé blinde sprak: ik zag hem 
             Een oogenblik geleên; 
Mijn lamme knecht zal aanstonds 
             Hem zoeken; knaap, loop heen! 
Nu slaat, op ’s meesters wenken, 
             De kreupele in den draf; 
En holt, den harp’naar roepend, 
             De straten op en af. 

De kunst’naar is gevonden, 
             Hij komt en buigt en groet ;~ 
Geen armen had de stumper, 
             Hij speelde met zijn voet. 
Hij speelt: elk schijnt betooverd, 
             De doove is enkel oor, 
De blinde zet groote oogen, 
             De stomme zingt een koor. 

De lamme springt van geestdrift 
             Omhoog met alle macht; 
’t Kupstlievende gezelschap 
             blijft saâm, laat in den nacht, 
En bij het afscheid nemen 
             Is, met des harp’naars kunst, 
’t Publiek tot in de wolken, 
             Hij dronken van hun gunst!
(RÜCKERT.)

[Genestet pagina] [Coster pagina]


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001