Leekedichtjes

CVI Aan Ds. Humanus, Theol. Doct.

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

  Gij zijt een mensch, eenvoudig, mild, gewoon –
Doch zoo gewoon, als ik mij–zelf mocht wensen! –
Gij gaat, gij doet, gij lacht als andre menschen,
  Gij voelt als wij en spreekt op de’ eigen toon.

  Gij redeneert, dat elk u volgen kan;
Gij hebt geen stel van stemmen of gezichten,
Geen heilig soort van maten en gewichten;
  Gij vreest uw God en zijt oprecht: een man!

  Gij zegt al vaak: ik weet niet! gul en goed;
Geen vreemde balk verblindt uw heldre oogen,
Ruim klopt uw hart vol liefde en mededoogen;
  Wat menschlijk is, heeft recht op uw gemoed.

  Hoe voert uw geest onmerkbaar heerschappij!
Vertrouwen eischt uw open, ronde trouwe;
’k Ben eenzaam liefst in krankheid en in rouwe,
  Maar ben ik droef of krank – wees welkom Gij!

  Gij zijt een mensch – gewoon; doch niet gewoon
Sinds hier natuur in zeldzaamheid verkeerde! –
Hoe dank ik u voor ’t geen uw geest mij leerde!
  Hoe eer ik ú – gij eert den menschenzoon.


[Genestet pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.