Leekedichtjes

XIX Machteld en Leonard

(Theologische Romance, XIX eeuw 2e helft)

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

Zoo te theologiseeren
Met een lieve vroome deeren,
  Waarlijk neen, dat schikt zich niet,
En natuur en kunst, meneeren!
      Protesteeren.
Met een glimlach in dit lied
Humanus

Keuvlend doolt, bij ’t vallend duister,
  ’t Jonge paar door ’t jonge groen;
Bloemen, knoppen, nachtegalen
Droomen in de lentedalen –
  Zouden niet de hartjes gloên?

Machteld is ’t, die blonde schoone,
  Met haar vriend, haar Leonard;
Eigenlijk haar neef, doch neven
Bieden somtijds in dit leven
  Mooie nichtjes hand en hart.

Leonard is wel wat houtrig
  En hoovaardig op zijn stand,
Toch – ofschoon hij Proponent is –
Toch gevoelt hij dat het Lent’ is,
  Daar zijn borst van liefde brandt.

Moegedrenteld vlijt ons paartje
  Zich ter neder in ’t priëel,
En, vast, naar verliefde wijzen,
Bouwt men nestjes – paradijzen
  Onder fluistrend mingekweel.

Hoe ze keuvlen, hoe ze kozen!
  Had de zon weer stilgestaan,
Licht wel, als twee purpren rozen,
Zaagt ge Machteld’s koontjes blozen –
  Doch juist even kwam de maan.

Maar o luister! luid en luider
  Klinkt hun zoete liefdetaal:
Wat de harten mag ontroeren?
Brengt hen de avond in vervoeren,
  Maneschijn en nachtegaal?

Dwepen zij met dichtrenzangen,
  ’t Hart vol jeugd en poëzij?
Of is Jaloezie aan ’t spoken?
Wordt de huwelijksreis besproken?
  Is de Proponent wat vrij?

Neen, o Goôn! – maar wat zij bespreken,
  Onder ’t filomelenlied,
Bij het geuren der seringen...
De echtheid van de Handelingen
  Der Apostlen! minder niet.

„Ach!” zegt Leonard, „die echtheid
  Staat, gelijk mijn liefde, pal!
Al uw kritische bezwaren
Kan een Proponent verklaren;
  Maaklaars weten niemendal.”

„Twijfelde ik aan uwe liefde” –
  Zegt nu ’t meisje – „Dierbaarste, ooit
Doch hoe teeder gij moogt praten,
’k Rijm den Brief aan de Galaten
  Met die Handelingen nooit!”

„Machteld! alles laat zich rijmen
  Voor wie vroom is, vroom en knap –
Doch uw zinnen zijn betooverd,
Reinout heeft u gansch veroverd,
  Met zijn halve wetenschap...”

Reinout... maar hier trapt de Eerwaarde
  Juist den Duivel op zijn staart:
Eensklaps toch schiet uit de boomen,
Storende dees verliefde droomen,
  Reinout, met een Tubingsch zwaard.

„Sta! verleider gij van de onschuld!” –
  Roept hij uit – „Gij veinzaard, beef!
De echtheid van de Handelingen
Aan mijn Machteld op te dringen!
  Ken uw misdaad, ken ze – of sneef!”

Zwaardgekruis. – Ons Proponentje
  Tuimelt in zijn bloed ter aard,
Reinout juicht als overwinnaar;
Machteld is een beter minnaar,
  Is een Leidsch professor waard!


1859

[Genestet pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.