Leekedichtjes

XLV De man van het ware midden

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

Mijn vader heeft mij eens geleerd,
Dat elk, die ware wijsheid eert,
Moest zijn een man van ’t ware midden.
„Kind – sprak hij – wat ik u mag bidden,
  Houdt steeds, met christlijk overleg,
  Als Van der Palm, den middelweg.”
Toch, schoon ’k niet twijfel of voordezen
Genoemde weg puik–puik mocht wezen,
    ’k Heb mijn bekomst van ’t midden, want
  Men krijgt er, als een kwade jongen,
    Thans klop van de’ een en de’ andren kant,
  En wordt geduwd en plat gedrongen.
         Zoo’n middelman,
         Wat heb je er an?
         Zoo’n sukkelaar,
         Zoo’n modderaar!
Inkonsekwent! zóó luidt het heden.
    De knappe lui van wederzij’
    Zien op u neer met medelij’,
    Alleen de stumperds staan u bij...
’t Zijn andre tijden, andre zeden!
    Dus, wilt ge een man zijn, – kies partij.


[Genestet pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.