Leekedichtjes

LVIII Aan een Hollandschen knaap

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

Jongen, reeds met tintlend oog
    Ziet gij smachtend op,
Naar dien preekstoel, steil en hoog,
    Uwer wenschen top?

Lacht u ’t zalig denkbeeld aan,
    Ook eens deftig dáár
Hoog en gansch alleen te staan
    Neerziende op de schaar?

Op de schare saamgestroomd,
    Zeker, aan uw voet;
Want van leege kerken droomt
    Nooit een vroom gemoed!

Kleuter van een Redenaar,
    Oefent ge u misschien
Reeds in ’t plechtig handgebaar,
    Ginder afgezien?

Doet ge al soms tot eigen schaê
    Jeugdige alias,
Uw geliefden Preeker na
    Voor het spiegelglas?

Kweekt gij reeds dien preektoon, die,
    Eenig in zijn soort,
Vaderlandsche oratorie
    Kenmerkt en – vermoordt?

En verkondt je moeder al
    Met een lach, vol vreê,
Wat er van uw worden zal,
    Zegge: een Dominé.... –

Hoor dan, kind, en overleg
    Eens dit hartig woord:
Op een gansch verkeerden weg
    Dwaalt ge: ga niet voort!

Weet het: Eerzucht, IJdelheid
    Lokte al meer dan een,
– Dikwijls werd de fout beschreid! –
    Naar dien preekstoel heen.

IJdelheid, door ouderzwak
    Roekloos aangespoord;
(Schoon de zoon in vaders vak
    Meer had thuis gehoord!)

Eerzucht, die het moeilijkst ambt, –
    Bron van strijd en leed
Voor wie de echte kroon bekampt! –
    Licht hem tellen deed!

IJdelheid, die schittren wou,
    Met.... „een mooie preek,”
Zwaaien met een priestermouw,
    Heerschen met – een steek!

Nu, keer tot u–zelf eens in,
    Kleine Samuel:
Vrome zin of ijdle zin,
    Dat drijft u toch wel?

Zeg mij, jongen, gul en goed,
    Wat is ’t dat uw oog
Van verlangen schittren doet,
    Opziend naar zoo hoog;

En – mistrouw mij dat gevaart’,
    Die verhevenheid!
Die ’t eenvoudig hart bezwaart,
    De’ ootmoed strikken spreidt!

Weet het, nergens, dreigt gevaar,
    De’ armen’ sterveling,
Als juist op die hoogte daar!
    In dien tooverkring!

Ach, zoo licht, wat vrome zin
    Ook zijn hart behoed’,
Sluipt er mee de Satan in,
    Die hem „Rabbi” groet!

Die, terwijl hij de’ ootmoed preekt,
    – IJdel Adamskind!
In zijn ziel den hoogmoed kweekt
    En – zijn oog verblindt!

Die, mijn jongen, ligt ook nu
    Reeds aan uw hart behaagt,
Waar hij, in uw droomen, u
    Op die hoogte draagt...

Ken u–zelf dan, ken uw waan,
    En wat groot u schijn’,
Weet, dat wie zoo hoog zal staan
    Meer dan kleen moet zijn!


1860

[Genestet pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.