Toen ik met dien Hooggeleerde Op zijn kamer redeneerde; In dien heilgen, veilgen kring Wijsheid van zijn lippen ving; Toen hij, zwevend boven de aarde, t Universum, mij verklaarde, Op zijn onweerspreekbren toon, Och, wat klonk dat waar en schoon! Even logisch als verheven! Menschenvrijheid, Godsbestuur, De orde en wijsheid der natuur, Goed en kwaad, het doel van t leven.... Hij zette alles wonderbaar Uit elkaęr en in elkaęr: Zoo iets had ik nooit vernomen; k Was Bevredigd en ik vond Niets dan orde en licht in t rond.... Maar op straat teruggekomen, Op de Markt, daar ving mijn strijd Alweer aan gelijk altijd; k Raakte fluks de kluts weer kwijt; Al mijn idealen vloden Plotseling voor t verward gerucht Van de droeve kermisklucht: Voor een troep verkleede Joden, Die, de beenen in de lucht, Onder duizend apensprongen, Vast naar t doel des levens dongen! Voor het bleek en scheel gezicht Van een zieklijk, jankend wicht, Op een orgel vast gebonden, Lijdend voor zijn moeders zonden, Reeds tot beedlen afgericht! God! wat last van zwarigheden, Die op eens mijn ziel bestreden! En ik dacht, wie t kwalijk neem: Wijsheid moog ten hemel streven, t Schijnt me, of t raadselvolle leven Droevig lacht met elk systeem!
1860
[Genestet pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.