LEVENSLIED

 P.A. de Génestet (1829 – 1861)

Hoe min Ik dat fier en dat vrooljk gelaat
     Met helderen blos op de wangen,
Dat oog, dat de reinheid der ziele verraadt,
     Dat harte vol bloemen en zangen:
Hoe min ik u, heerlijk en hartelijk kind,
Die knielt voor uw God, en de lente bemint.

Maar ’k gun u dat bleek en dat ziekelijk schoon,
     Die fletse, die mijmerende oogen,
Dat blosje zoo kwijnend, poëtisch van toon!
     Dat hart door illuzie bedrogen
Ik gun u ’t bedorven, en dwepende kind,
Dat kwijnt in het voorjaar, en – ’t maantje bemint.

Hoe boeit mij de rijke, de manlijke luit,
     Hoe wensch ik den zanger te kronen,
Die gloeit voor zijn God, voor zijn land, voor zijn bruid,
     Die ’t leven in zinrijke tonen
Weerspieglend, al bloemen, vol kleurigen gloed,
Vol geuren des levens, ons strooit in ’t gemoed

Maar weg met dat ijslijk en kermend gezang,
     Van zieklijke hersens en harten;
Ons maakt geen wanhopende Demon meer bang,
     Ons walgt al de tooi van uw smarten,
O wereld-verachters, gij laat mij zoo koel;
O pronkende lijders .... waar is uw gevoel?

Hoe min ik die reine, die godlijke leer,
     Die moedig leert leven en strijden,
De blijdschap ons heiligt als gaaf van den Heer,
     En waarlijk kan troosten in ’t lijden!
Die spreekt: Dien uw God met een helder gezicht,
Heb zout in u-zelven, en wandel in ’t licht!

Maar, zieklijke dweper, ontplooi uw gelaat:
     ’k Heb schaduw genoeg in het leven!
Ach, spreek mij van God en zijn zegen geen kwaad,
     En leer mij niet zuchten en beven!
Die pruilende lippen, dat hangende hoofd ....
Hem voegen ze ’t minst, die vertrouwt, die gelooft!

O Heer! laat nog lang een vertroostend gezicht
     Mijn weg en mijn leven bestralen;
O leer mij dat lied, dat bezielt en verlicht,
     Of troost in den boezem doet dalen
Schenk mij dat geloof en die kracht en dien moed,
Die strijdend – maar zingend, uw Hemel begroet!
1851