DE LIEFSTE PLEK

 P.A. de Génestet (1829 – 1861)

Elk heeft een plekje’ op aarde
   Hem dierbaar bovenal,
Een landstreek of een gaarde,
   Een dorpjen of een dal,
Een plekje, waar hij blijven
   En vrede zoeken wou,
Waarheen zijn droomen drijven
   Met stille liefde en trouw.

Voor mij, schoon mijn verlangen
   Soms dwaalde heinde en veer:
Al hoorde ik tooverzangen
   Aan ’t dichterlijke meer
Al staarde ik op de reize
   Vol plannen wel in ’t rond,
En sprak na lang gepeize:
   Zoo hier ons kluisje stond!

Toch, Hollands rozentuinen,
   U bleef mijn hart verpand;
Op Hollands blonde duinen
   Prijs ik mijn eigen land!
U heb ik uitgelezen,
   Mijn bosch en duin en dal,
Daar half mijn thuis. mocht wezen,
   U eer ik, bovenal!

Neen, frissche bloemengaarde,
  Zoo needrig, maar zoo rijk,
In vriendlijkheid, op aarde,
   Geen plekjen u gelijk
Laat schooner oorden spreken
   Van kracht, van majesteit,
Mijn uitverkoren streken,
   Gij ademt lieflijkheid!

Waar rijzen zoeter geuren?
   Waar mengelt de avondstond
Zoo vriendelijke kleuren,
   Zoo lieflijk bruin en blond?
Ik weet geen lentedreven
   Zoo rijk aan melodij
Waar had ook ’t jonge leven
   Een bljder glans voor mij!

Wij plachten hier te dwalen
   Zoo menig, menig uur,
Ik ken hier al uw talen
   En stemmen, mijn natuur!
’k Versta de teedre woorden
   Van weemoed, liefde en lof,
Die ruischen in de akkoorden
   Van deez’ uw mildèn hof!

’k Weet wat de koeltjes kozen
   Des morgens in onz’ tuin,
Des avonds met de rozen,
   De rozen van het duin;
Wat, als de najaarsvlagen
   Hier dwarlen door het hout,
De sombre dennen klagen,
   Die dichtren van het woud.

Mijn zielsgeheimen weten
   Drie plekjes in het bosch,
Daar wij zoete uurtjes sleten
   Op ’t geurig, krakend mos.
Waar ’t lelietje der dalen
   Ginds welig opwaart schiet,
Daar zongen nachtegalen
   Ons ’t eerste liefdelied!

O lusthof mijner ziele,
   Goed plekje mij zoo waard,
Hoe wèl mijn snoeren vielen
   Ginds bij mijn hof en haard,
Ik mag toch ook belijden
   Dat ik u stil betreur,
En dat mijn hart bij tijden
   Hijgt naar uw rozengeur!

Ik zoek u telkens weder
   Dan, met een traan, een lach,
Gedenke ik lang en teeder
   Den schoonen levensdag,
Dien ’k leefde in deze gaarde,
   Beminnend en bemind,
Bij al mijn liefste’ op aarde
   En, – God, uw dankbaar kind!

Dan fluistren de avondwinden
   Mij zangen van weleer,
’k Hoor namen van mijn vrinden.
   ’k Zie al mijn jonkheid weer;
Dan klaag ik aan mijn duinen
   Mijn opgegaarde smart,
En ’t lied uit de eikekruinen
   Stort balsem in mijn hart.

En ware ik Heer in ’t leven,
   Neen, neen, ik scheidde niet;
’k Bleef nestlen in dees dreven
   En zong u lied op lied.
Ik leefde van mijn droomen
   En nederig fortuin,
In schaûw van de eikeboomen,
   Ginds aan den voet van ’t duin.

En niemand zou daar vragen:
   Hoe welkte uw .........
Een bloem van korte dagen –
   Nog vóór het zomertij?
Neen, ’t hart is vol verhalen,
   Vol zangen mijn gemoed –
Maar ’k dierf de lucht der dalen,
   Die ’t lied ontluiken doet!
Bloemendaal 1854.

[Genestet pagina] [Coster pagina]


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001