BIJ MEER-EN-BERG

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

De morgen lacht, de koeltjes zweven,
   De hemel straalt van liefde en licht;
Stil, statig uit de schoone dreven
   Rijst Meer-en-Berg, ’t gewijd gesticht.

Ach, droeve plek! Hier breekt u ’t harte
   Van weedom, die de weelde stoort:
Bedrogen hope, en zonde, en smarte
   Vereent haar offers in deze’ oord.

Nochtans, vanwaar die glans van vrede,
   Die op dit huis der jammren daalt,
Daar ’t landschap stil, als in gebede,
   Gods goedertierenheên verhaalt?

’t Is omdat Hij, die eens Zijn armen
   Tot al wat leed heeft uitgebreid,
De Zoon, vol goddelijk erbarmen,
   Daar binnen licht en troost verspreidt,

’t Is wijl een heilige gedachte
   Van liefde en hoop hier werkt en leeft;
’t Is wijl de mensch, van Gods geslachte
   Hier in zijn Redders voetspoor streeft!

Zoet, weemoedig-zoet aanschouwen,
   Dat vredig huis, die kerk, die hof ....
Ik groet u, heilge Godsgebouwen,
   Geen schooner Tempel rijst in ’t stof!

Mijn oog ziet op ! mijn ziele luistert!
   Uw steenen spreken, God tot eer
En ’t koeltje door de dreven fluistert:
   Aanbid en hoop; hier is de Heer!
B., 1858.

[Genestet pagina] [Coster pagina]


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001