De morgen lacht, de koeltjes zweven, De hemel straalt van liefde en licht; Stil, statig uit de schoone dreven Rijst Meer-en-Berg, t gewijd gesticht. Ach, droeve plek! Hier breekt u t harte Van weedom, die de weelde stoort: Bedrogen hope, en zonde, en smarte Vereent haar offers in deze oord. Nochtans, vanwaar die glans van vrede, Die op dit huis der jammren daalt, Daar t landschap stil, als in gebede, Gods goedertierenheên verhaalt? t Is omdat Hij, die eens Zijn armen Tot al wat leed heeft uitgebreid, De Zoon, vol goddelijk erbarmen, Daar binnen licht en troost verspreidt, t Is wijl een heilige gedachte Van liefde en hoop hier werkt en leeft; t Is wijl de mensch, van Gods geslachte Hier in zijn Redders voetspoor streeft! Zoet, weemoedig-zoet aanschouwen, Dat vredig huis, die kerk, die hof .... Ik groet u, heilge Godsgebouwen, Geen schooner Tempel rijst in t stof! Mijn oog ziet op ! mijn ziele luistert! Uw steenen spreken, God tot eer En t koeltje door de dreven fluistert: Aanbid en hoop; hier is de Heer!
[Genestet pagina] [Coster pagina]
Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001