Mooi–weêrslied

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

Een zonnestraal,
             Een wonderstraal
    Is in mijn hart gedrongen:
  Mijn matte ziel herleefde weer,
  Ik twijfel en ik haat niet meer
    En heb mijn lied gezongen.

Een blij geruisch
             Om ’t zonnig huis
    Verkondde mij den vrede.
  Van liefde en lof klinkt heel mijn hof,
  ’t Juicht alles en geeft juichensstof;
    En noodt: o dank toch mede!

’k Was huivrig kil
             En somber stil,
    Wel zeven lange dagen.
  Het was ook triestig in mijn hart;
  Daar hing een lucht vol zorg en smart;
    Er huilden gure vlagen.

Ik had geen lust
             En vond geen rust:
    ’t Was treurig, of daarbinnen
  Een boze geest had uitgestrooid,
  Dat ’s Hemels blijde zonne nooit
    Weer de aarde zou beminnen.

Nu wekt haar gloed,
             In mijn gemoed,
    Een vreugd niet uit te spreken!
  ’t Is of er bloemen open gaan,
  En lentenachtegalen slaan,
    En strakke windslen breken.

’t Is of mijn hart
             Betooverd werd!
    Waar vloden al mijn zorgen?
  Weer heb ik iets van ’t vroolijk kind,
  Die ’t leven zag, in rozentint,
    Een korten, blijden morgen.

Mijn harpe beeft,
             Mijn harte leeft
    Een zalig liefdeleven!
  Daar, wie mij griefde, daar, mijn hand!
  En neem mijn liefste bloem ten pand,
    Dat ik u heb vergeven.

Hoor gij mijn dank,
             In ’t blij gezank,
    O God der bloeiende aarde!
  Die licht en geur en vroolijkheid
  Mild in mijn ziele heb verspreid,
    Als in Uw lentegaarde.


1854

[Genestet pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.