MORGEN IS MIJN DICHTER JARIG

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

Een lied aan Mr. J. Van Lennep, in den nacht van 24. Maart 1846.
Zoet en zalig is de stilte
            van het eenzaam nachtljk uur. 
Zij ’t ook niet in ’t groen priëeltje,
            in het midden der natuur, 
Bij een beekje, met een zefir
            romanesken maneschijn: 
Ook bij lamplicht en sigaren –
            mag zoo’n uurtje zalig zijn. 
’t Is een kostljk, dierbaar tijdstip
            voor de zoete mijmerj 
Laat, o laat mij dan genieten
            eenzaam, ongestoord en blij! 
U slechts wil ’k toegevend hooren,
            mijn welluidend klokgetik, 
U slechts, o mijn smeulend houtje,
            vuurtje in uw stervenssnik! 
Laat o laat mij nu genieten,
            mijmren eenzaam en alleen!
Alles zwijg, niemand stoor mij....
            maar wie durft hier binnentreên? 
Zeg, hoe drommel! kan ’t geschieden?
            ’k Sloot de deur zorgvuldig dicht –
Wié, wie staat mij daar voor de oogen?
            Is ’t een hemelsch droomgezicht ?.

Wie, wie zijt ge, die mij nadert,
            in uw slepend, vorstlijk kleed? 
Naam en faam van twee paar eeuwen,
            die mijn stil vertrek betreedt ! 
„Morgen is mijn dichter jarig,
            morgen viert hij vroolijk feest”.... 
Zoo, zoo juicht Gravin Jacoba –
            (’k doe ’t niet minder!)of haar geest,
„O, voor hem, die in mijn lijden
            mij zoo treffend heeft bespied, 
„Die zoo teeder mij deed zingen –
            zing voor hem uw schoonste lied!
„Zie, o zie mijn bleeke wangen,
            door de droefheid eens verscheurd, 
„Op het hooren van die blijmaar –
            met een vreugdeblos gekleurd.
„Morgen is mijn Dichter jarig,
            o strooi bloemen voor zijn schreên,
„Zooveel, als ik distlen oogstte,
            tranen stortte hier beneên. 
„Bied hem wenschen en gezangen,
            bied hem de eëlste dichterkroon 
„Als mijn diadeem noodlottig,
            zij die lauwer grootsch en schoon.” 

„Morgen is mijn Dichter jarig,
            morgen viert hij vroolijk feest, 
„Wil hem dus een liedje zingen
            vol van schranderheid en geest;
„Morgen is mijn Dichter jarig” –
            juicht een zoete meisjesstem –
„Ferdinand.... die maakt geen verzen,
            ’k vroeg het anders vast aan hem...
„En mijn Helding is ad patres,”
            (dat ’s een woord vân d’ ouden Huyck),
„Morgen is mijn Dichter jarig,
            maak toch van dat feest gebruik!
„Breng hem Henriëtte’s wenschen
            in uw blijden zegengroet!
„Wie zoo schoon de ziel kon schetsen,
            voegt de dank van ’t rein gemoed;
„Bied hem losse, dartle zangen,
            Want voorzeker Tante Let
„Zal hem christelijk gedenken
            in een zalvend, mooi gebed!
„Morgen, morgen is hij jarig- –
            „Morgen rijst mijn vreugd in top!”
Zoo, zoo vangt een andre stem weer
            die verheugde tonen op,
„Deel ook van de blonde Madzy
            hem de trouwe zegenbeê,
„Bij het ruischen der akkoorden,
            in uw zoetste zangen mee!
„Dat hij steeds die vreugd geniete,
            die weleer zijn Reinout zag,
„Toen hij eindelijk, zwervensmoede,
            tot ons kwam, na jaar en dag,
„En een hemel vond op aarde,
            door mijns Dichters hand gemaaid,
„Deodaat, niet waar, den hemel
            tot ons beiden neergedaald?” –
„Ja den hemel, o mijn Madzy,
            Edens vreugde rein en klaar,
„Zooveel heil voor onzen Dichter,
            meer nog, zoo het moogljk waar!” –

„Morgen is mijn Dichter jarig,”
            bromt het nu weer, uit dien hoek,
Mij ontsteld op nieuw in de ooren,
            met een Oud-Bataafschen vloek;
„Zing hem duchtig schoone verzen,
            breng hem, als mijn tolk en boô,
„Dank, oprechten dank en hulde
            van zijn ouden Brinio!
„Zeg, ja zeg hem dat mijn boezem
            steeds aan hem blijft toegewijd,
„Die mijn naam eens riep in ’t leven
            en deed leven voor altijd.’
„’k Zweer, ik zal den Gids vertrappen
            met zijn heele santekraam,
„Durft hij nog één haatlijk vlekje
            werpen op zijn dichternaam; 
„’k Zal hem met één slag verplettren,
            want mijn vuist is aanstonds klaar, 
„Als weleer eens voor de slaven
            van dien laffen dobbelaar!
„Morgen is mijn Dichter jarig,
            nu is ’t zingen meer dan plicht, 
„Trilt, o forschgespannen snaren,
            dreun, vermetel lofgedicht, 
„Zing hem krachtig schoone verzen!....-

            „Neen, de zoetste harmonie, 
„Neen de weelderigste akkoorden
            en de rijkste poëzie!
„Zing hem, op de wiek der ode,
            zing hem een verheven lied, 
„Dat ge, uit naam der Lesbiaansche,
            mijn verkoren Dichter biedt. 
„Morgen is mijn Dichter jarig! –
            Van het Elyzeesche veld
„Kom ik, bij die schoone bljmaar,
            herwaart juichende aangesneld; 
„O, ik ben de smart vergeten
            van mijn onverhoorde min; 
„Dankbre vreugd nam heel de ruimte
            van mijn wreeden hartstocht in, 
„Want hij heeft ook mij gezongen !....

            „En mij ook! gelooft gij ’t niet? 
„Groetenis aan Oom Van Lennep,
            nogmaals dank voor ’t geestig lied! 
„Morgen is mijn Dichter jarig,
            neurie ik op eigen wijs, 
„Wijn en Min zijn lang vergeten,
            waar ik zulk een Oome prijs!”
Zoo juicht hofnar Ploor mij tegen,
            met een dwaas vertrokken mond, 
Lustig, met zijn zotskap bellend,
            huppelt hij mijn cel in ’t rond. 

„Morgen is mijn Dichter jarig,
            zing hem toch een bljden zang:
„’k Zing Van Lennep! ’k zing Van Lennep,
            Lennep al mijn leven lang!
„Steek je duimen in je vestzak,
            trek een mond zoo scheef als ooit, 
„Breng hem dan een geestig liedje,
            dat bij elk een lachje plooit. 
„’k Zing Van Lennep, ’k zing Van Lennep,
            en ’k vergeet èn Wijn èn Min
„Morgen, morgen is hij jarig,
            kweel hem deuntjes, los van zin!” –
„Maak dan ook voor mij een versje ?”
            smeekt op kinderljken toon, 
Aan de hand van Catherijne,
            blonde Willem, Gulicks zoon. 
„Morgen is mijn Dichter jarig,
            wat ik hem wel geven zou? 
„Och, mijn heele muts kapellen,
            als hij die maar hebben wou!” –
„Morgen is mijn Dichter jarig....”
            Hoor, zoo galmt nu ’t woest geluid, 
In een zaal, die voor mijn oogen,
            zich (maar ’k weet niet hoe?) ontsluit; 
Volgepropt, als de Arke Noachs,
            rijk aan menig dwaas kontrast, 
Door elkander heen krioelend,
            opgeladen, opgetast, 
Saffo staat er vlak naast Floorneef,
            Brinio naast tante Let, 
Gelder bij zijn jeugdig bruidje
            half te gapen van de pret. 
Henriët, Jacoba, Madzy
            staan er enkel juist bijéén, 
Als de trits der schoone zusters,
            heilige Bevalligheên!
’k Ving daar even onder ’t woelen
            menig toontjen uit haar mond,
Waar ik „Bouwkunst” en „Idyllen”
            en „Legenden” uit verstond....
Nu schijnt alles rond te zwieren
            en te draaien voor mijn oog:
„Morgen is mijn Dichter jarig t”
            galmt het schaatrend naar omhoog;
Ieder, dien hij heeft gezongen,
            zingt met opgewonden geest:
„Morgen, morgen is hij jarig,
            morgen viert hij vroolijk feest
„Bied hem wenschen en gezangen,
            breng hem uit ons-aller naam
„Odes, Hymnen”Nog iets meer ook? –

            O gij dwazen al te zaam!
Ik, ik zou uw Dichter zingen,
            die alleen voor ’t denkbeeld schrik....
Hoe! uw uitverkoren Zanger,
            Saffo en Jacoba! ik?
Neen, voor Saffo’s eigen luite,
            waar ’t een rijke zingensstof
In Jakoba’s eigen tranen
            vond haar Dichter slechts zijn lof!
In het hemelzacht ontgloeien
            van een reine, schoone ziel,
In den lof van Henriëtte,
            die hem straks te beurte viel.
Ik, vermeetle, zou het wagen
            hem te zingen, in den naam
Van Vorstin en tiende Muze
            Neen, ik buig voor zulk een faam!
Ik, die zelf het luidste jubel
            Morgen viert mijn Dichter feest,
Maar geen waardig lied kan vinden
            in mijn armen dichtergeest.
Ik, die.... luister, welk een wanklank,
            o te ras vervliegend uur!
Weggesmolten al mijn olie,
            uitgeblonken al mijn vuur! 

Slaap en Tijd! ik tart uw woede,
            die met zooveel geestdrift spot, 
’k Droom nog voor mijn Dichter droomen,
            van het zaligst heilgenot. –
Altijd droomendwaze droomen –
            of hij iets aan droomen had !....
Juist! maar ’k bied hem al de wenschen
            in mijn droomen saamgevat.

[Genestet pagina] [Coster pagina]


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001