Ik zie een graf gedolven Op t kerkhof te Bloemendaal; De lijkbaar staat te wachten Vlak bij het kerkportaal. De schooljeugd het is vakantie, Iets zeldzaams in de week, Maar Meester is uitgetogen In t zwart, met een grooten steek De schooljeugd zij vindt haar genoegens Op t kerkhof als overal Loopt saam: er wordt begraven, Dat is een aardig geval! Zij komen nieuwsgierig, en kijken En keuvelen met elkaęr; Zij klimmen op t hek van het kerkhof En duikelen over de baar. Zij peilen den gapenden grafkuil Met onbezorgden zin. De een zegt: Het is een diepert: En de ander: Durf jij er in? Een derde neemt een vuistvol Van t opgedolven zand, En laat het als een fonteintje Weer vloeien uit zijn hand. Nu gaan ze krijgertje spelen Rondom het open graf; Ook ranslen twee vechtersbazen Elkander eens eventjes af. Maar Teunis zit met Klaartje Al op den grafkuilrand, Naar t schijnt, een deuntje te vrijen Op kinderlijken trant. Zij spelen in verwachting Van t geen er komen zal; Daar wordt er een begraven, Dat is een aardig geval! Zij spelen daar nadert langzaam De statie het wachtend graf.... Zij steken de hoofden te zamen, En nemen de petjes af.
1858
[Genestet pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.