Naar de natuur

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

Ik zie een graf gedolven
  Op ’t kerkhof te Bloemendaal;
De lijkbaar staat te wachten
  Vlak bij het kerkportaal.

De schooljeugd – het is vakantie,
  Iets zeldzaams in de week,
Maar Meester is uitgetogen
  In ’t zwart, met een grooten steek –

De schooljeugd – zij vindt haar genoegens
  Op ’t kerkhof als overal –
Loopt saam: er wordt begraven,
  Dat is een aardig geval!

Zij komen nieuwsgierig, en kijken
  En keuvelen met elkaęr;
Zij klimmen op ’t hek van het kerkhof
  En duikelen over de baar.

Zij peilen den gapenden grafkuil
  Met onbezorgden zin.
De een zegt: Het is een diepert:
  En de ander: Durf jij er in?

Een derde neemt een vuistvol
  Van ’t opgedolven zand,
En laat het als een fonteintje
  Weer vloeien uit zijn hand.

Nu gaan ze krijgertje spelen
  Rondom het open graf;
Ook ranslen twee vechtersbazen
  Elkander eens eventjes af.

Maar Teunis zit met Klaartje
  Al op den grafkuilrand,
Naar ’t schijnt, een deuntje te vrijen
  Op kinderlijken trant.

Zij spelen – in verwachting
  Van ’t geen er komen zal;
Daar wordt er een begraven,
  Dat is een aardig geval!

Zij spelen – daar nadert langzaam
  De statie het wachtend graf....
Zij steken de hoofden te zamen,
  En nemen de petjes af.


1858

[Genestet pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.