Noten bij P.A. de Génestet

Noten bij: Op een vervelend soirée

P.C. Hooft
Thuispagina van P.C. Hooft
Tessel / Tesselade
Maria Tesselschade Roemers Visscher is vermeld in de bloemlezing
Joost van den Vondel
Thuispagina van Joost van den Vondel

Noten bij: Het schotje

Broek, houten broek
Katheder – Borger.
Jus Pilei
Letterlijk: het hoede–recht: het doctorale recht om met gedekten hoofd te mogen spreken.
die stoutert
Historisch: een der professoren „van ’t kleine hokje” is over het schotje gesprongen op den 9den van October, anno 1849.
Achtergrond van het Schotje
Voor de oningewijden in de beruchte geschiedenis van het schotje in ’t Amsterdamsche Athenaeum wil ik de zaak hier in proza met een paar woorden uiteenzetten. Ik begin met u te vertellen, dat wij er een Athenaeum op nahouden. Gij zult – hope ik – de vriendelijkheid hebben mij niet tegen te spreken. Dat gebouwtje is zeer wrak, zeer oud, zeer vuns, maar voor eenigen tijd met onloochenbaren smaak en savoir–faire opgeknapt. In dat Athenaeum is een bank, waar zich de professoren bij Feestelijk gelegenheden in nederlaten. In die bank was een muurtje. Ja, het was er, het is er niet meer. Eere aan de Kuratoren! eere den Sekretaris, die het bevel tot slooping heeft geteekend. Dat was ten minste een liefelijk verschijnsel in deze dagen van twist en scheuring. Maar toen dit versje geschreven werd, was het er nog, dat muurtje. Anders ware dit versje niet geschreven.

Welnu: aan de ééne zijde van dat schotje prijkte in gloria het gereformeerde Athenaeum, in de personen van zijn professoren natuurlijk; aan de ander zijde werden de Seminaria, door vijf professoren vertegenwoordigd, op elkander gedrongen, in het zevende of vierde gedeelte (ik heb geen mathematischen blik) van de geheele bank. Het verwondert mij, dat het nog zoo lang goed is gegaan. De bespottelijkheid en onbillijkheid dezer afscheiding viel te meer in het oog, wanneer men bedacht dat de gereformeerde theologen ook gedeeltelijk werden gevoed en gekweekt, in geestelijken zin, door luthersche, remonstratsche, menniste professoren.

Noot van den Uitgever
Zoals bekend is, werd ook het gebouwtje, waarvan onze dichter hier spreekt, sedert voor ander onderwijs ingericht, en de zetel van het Athenaeum naar den Ouden Doelen op den Singel overgebracht.

Noten bij: De Sint–Nikolaasavond

Hieronymus
Hebt gij wel eens opgemerkt, welwillende, hoe innig sommige voornamen met den geslachtsnaam niet slechts, maar ook met het individu dat ze draagt, verbonden schijnen? Hoe die voornamen de menschen, als het ware teekene en kleuren! Kunt gij u voorstellen dat Mr. Willem Bilderdijk bijv. Hieronymus Bilderdijk, of Rhijnvis Bilderdijk, zou hebben geheeten? Met geen mogelijkheid! Kunt gij u een George, een Michel Feith denken, of iets anders dan een Joost van den Vondel? een Huig de Groot? Neen, Bilderdijk moest Willem, Vondel Joost, de Groot Huig genoemd worden en Van Alphen Hyronymus. Daar ligt voor mij in dien naam iets gemoedelijks, iets zwaars op de hand, iets, hoe zal ik het noemen? iets „de–naarstigheid–die–kinderdeugd–achtigs,” dat bijzonder overeenstemt met het individu, beschouwd als vervaardiger van ouwe–mannetjesgedichtjes en van allerlei onaangename, onnatuurlijke Jantjes en Pietjes, kleine Hieronymusjes. Het voorgeslacht vergeve mij... ik ben terstond bereid toe te geven dat er wel vier aardige versjes in het beroemde bundeltje te vinden zijn, en één enkel dat subliem is van gevoel. Toch is dat laatste eigenlijk geen kinderversje. Maar veel kinderen van mijn kennis en ik vinden die gedichtjes in ’t algemeen te wijs en te pedant voor ons en de zedelijke heldjes van die gedichtjes min of meer onuitstaanbaar. We hebben meer sympathie voor voor Goeverneur en voor een „Hollandsche jongen” van Hildebrand. Van zoo een kan iets groeien! Maar wat moet er worden van zoo’n zoet wijsgeertje à la Van Alphen? Arm kind, arme jongen, gij hebt uwen eisch niet gehad! Uw spelen was leeren.

Dit alles neemt niet weg, dat ik Van Alphen bewonder en liefheb op een ander terrein. Laat de kinderen liever zijn Cantate van buiten leren dan die kindergedichtjes!

O, Vorsten! wat noch goud noch zilver kan betalen,
Doe uw verlichte gunst uw volk in de oogen stralen!
Hier zweefde den auteur zeker het puntig dichtje – op zijn Roemer Visschers – van den edelen Staring voor den geest, dat ik niet kan laten even uit te schrijven:
      De ster, op de borst van den braven man
    Moest door de wolk van zijn nederigheid stralen,
      En wat geen zilver, geen goud mogt betalen,
           Daar spreekt de gunst des konings van.
      Zoo strekt de brave ten baat voor ons allen
    Maar de ster op den rok van een gek of een guit,
    Lokt het regterlijk ook van de menigte uit:
      Dat schande en spot verpletterd op hem vallen!
    

Waarlijk, geheel de „Sint–Nikolaasavond” schijnt wel niet anders dan een uitvoerig kommentaar van deze geestige regelen.

Noten bij Lekedichtjes

Monisme
Het boek, waarvan in dit gedichtje (geen verdichtsel) sprake is, kan natuurlijk geen ander zijn dan het zeer merkwaardige geschrift des Leidschen Meesters: „De vrije wil.”

Deze aanteeking is dus voor de meesten mijner lezers overbodig.

Broeder Leek, evenwel, voor wien ze niet te veel, maar te weinig zegt tot recht verstand van ons rijmpje, verg. Dr. Pierson’s opstel in de Gids, Mei 1859: „Het Monisme van Prof. Scholten.”

haan
Het Klericalisme
kipje
Een klein Kettertje
Duif
Symbool van den Geest des Vredes