Zalig, wien in s levens morgen t Levend woord der groote Schrift Voor de kleenen niet verborgen In den boezem werd gegrift! Wien het vragend oog mocht stralen Vaak van wonderbaren gloed, Bij haar heilige verhalen, Manna voor het Jong gemoed. Zalig die in de eerste jaren, t Hart gericht naar Gods geboôn, Leerde op t heilig beeld te staren Van den eengen Menschenzoon, Die de wereld heeft bejegend Met zijns Vaders vredegroet, Die de kindren heeft gezegend, De aard verloste met zijn bloed! Want die indruk kan niet sterven, En de weêrklank van dat woord Ruischt, waar ooit de voet moog zwerven, Door het menschenleven voort: Echo uit het vroom verleden, Vol geloof en rein genot; Wekstem uit der kindsheid Eden, Moederwoord en woord van God! Laat de stille jonkheid wijken Voor den storm van wilder jeugd, En des Jonglings hart bezwijken In den doolhof ijdler vreugd; Moog hij t zachte snoer verbreken Van de vaderlijke wet, Reizen naar de vreemde streken Trots het moederljk gebed.... Niet verloren, niet verloren, In wiens reine kinderziel, Als het Godszaad in zijn voren, Eens dat woord des levens viel! t Leeft, t schiet op, t zal vruchten dragen, Schoon t verstikt scheen en versmoord, t Brengt in late najaarsdagen Nog zijn oogst van zegen voort! Onvergeetlijk schoon vergeten, Onwêerstaanbaar schoon weêrstaan, Dringt vaak plotsling door t geweten Weer het woord der oude blaên; In de nachtwaak, om de sponde Van den zwerver daalt een klacht En de zondaar voelt zijn wonde, En t verloren kind versmacht! t Zijn de aandoenlijke verhalen En de lessen van weleer, Ach, vernomen duizendmalen En geschonden duizendkeer. t Is een psalmtoon van t verleden, t Is een klachte van het kruis.... En zijn ziel keert in gebeden, En de boetling reist naar huis!
* *
*
Anders ook leer t kind gelooven, Anders zij de strijd des mans Woont de Vader wel daarboven,? Viel ooit stemme van den trans? Speelt niet wondere Legende Door dat onbedrieglijk woord, Die den grooten Onbekende Met haar nevelglans omgloort? Wat is waarheid? Is daar waarheid? Heeft wel de Almacht ooit op aard, In orakelen vol klaarheid, Haar geheim geopenbaard? Wat daar t woord scheen van den Heere, Voor zijn kindsheid, bleek het niet Menschenwoord of menschenleere, Heilge vorm of beeld of lied? o Het zij! Der onschuld vrede Vluchte voor der kennis strijd! Voer de stroom des levens mede Wat vergaan moet met den tijd! Laat der kindsheid wondergaarde Welken als een lentehof; Smachte naar wat licht op aarde Soms de balling in haar stof! Toch, het Woord gaat niet verloren Voor het hart, des Twijfels roof, Uit den kampstrijd als herboren, Rijst het kinderlijk geloof! Ander licht valle op de blaêren Van de Schriften, die weleer Hem zijn moeder mocht verklaren Ook dat licht is van den Heer! Met apostlen en profeten, Leert hij straks het hopend oog, Smachtend, moedig, roodgekreten Vroolijk richten naar omhoog! En voor t diep gevoel van t harte, Is daar wonder groot noch schoon, Als de stille Man der Smarte Met zijn eenge doornenkroon.
[Genestet pagina] [Coster pagina]
Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001