OP DE BERGEN

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

Hoog van de Alpen, bij de stralen
   Van den morgen, zag ik neer
Op het lustoord in de dalen,
   Tusschen Thuns en Brienz’ meer;

’t Lustoord met zijn rij paleizen,
   Waar der Bergen hoogen gast,
Moe van ’t onvermoeide reizen,
   Pracht en weelde zoet verrast;

Waar het goud van ’t rijke Noorden,
   Dat een armen Zwitser boeit,
Meer dan Lémans heilge boorden,
   Als een snelle bergstroom vloeit;

Waar ge in schaûw der geurge blaêren
   Van het noteboomenwoud,
Britsche schoonen na kunt staren,
   Als de Jungfrau, blank en – koud.

Ook baronnen en vorstinnen,
   Als de Grimsel, bar en hoog;
Ook zeer gnädige gravinnen,
   Met een Sehnsuchts-meer in ’t oog

Doch, hoe lag ’t nu daar beneden
   Kleen en nietig Aan mijn voet,
’t Nest vol schittrende ijdelheden t
   In den morgenzonnegloed.

Nietig – of ze louter dwergen,
   Lilliputters hield bevat:
Ja, het scheen wel van de bergen
   Zóó als waar die kleene stad,

Die de grootheid aller landen
   Zich ten zomerlustoord koos –
Opgezet door kinderhanden
   Uit een Neurenburger doos.

II

Op de bergen van het Lijden,
   – Steile weg naar ’t heilig Land –
Op de bergen van het Lijden
   Voerde mij der Liefde hand.

Van hun toppen – ’t scheen wel nader
   Bij der starren heilge sfeer
En de woning van den Vader –
  Op de wereld zag ik neer;

Op al de eerzucht, op de dingen,
   Op de menschen van den dag –
Grootheên, die elkaêr verdringen –
  Wie er wat beduiden mag!

Ruiterij van filozofen
   Met een theologenheir
Streden samen van daarboven
   Scheen ’t een stofwolk en niets meer.

Al hun glorie, al hun weelde
   Werd zoo nietig en zoo kleen,
Wat mij griefde, wat mij streelde
   IJdelheid der ijdelheên!

En ik dacht weer aan dien morgen,
   Aan dien morgen van weleer,
Toen ik lachend, zonder zorgen,
   Blikte hoog van de Alpen neer.

[Genestet pagina] [Coster pagina]


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001