Hoog van de Alpen, bij de stralen Van den morgen, zag ik neer Op het lustoord in de dalen, Tusschen Thuns en Brienz meer; t Lustoord met zijn rij paleizen, Waar der Bergen hoogen gast, Moe van t onvermoeide reizen, Pracht en weelde zoet verrast; Waar het goud van t rijke Noorden, Dat een armen Zwitser boeit, Meer dan Lémans heilge boorden, Als een snelle bergstroom vloeit; Waar ge in schaûw der geurge blaêren Van het noteboomenwoud, Britsche schoonen na kunt staren, Als de Jungfrau, blank en koud. Ook baronnen en vorstinnen, Als de Grimsel, bar en hoog; Ook zeer gnädige gravinnen, Met een Sehnsuchts-meer in t oog Doch, hoe lag t nu daar beneden Kleen en nietig Aan mijn voet, t Nest vol schittrende ijdelheden t In den morgenzonnegloed. Nietig of ze louter dwergen, Lilliputters hield bevat: Ja, het scheen wel van de bergen Zóó als waar die kleene stad, Die de grootheid aller landen Zich ten zomerlustoord koos Opgezet door kinderhanden Uit een Neurenburger doos.
Op de bergen van het Lijden, Steile weg naar t heilig Land Op de bergen van het Lijden Voerde mij der Liefde hand. Van hun toppen t scheen wel nader Bij der starren heilge sfeer En de woning van den Vader Op de wereld zag ik neer; Op al de eerzucht, op de dingen, Op de menschen van den dag Grootheên, die elkaêr verdringen Wie er wat beduiden mag! Ruiterij van filozofen Met een theologenheir Streden samen van daarboven Scheen t een stofwolk en niets meer. Al hun glorie, al hun weelde Werd zoo nietig en zoo kleen, Wat mij griefde, wat mij streelde IJdelheid der ijdelheên! En ik dacht weer aan dien morgen, Aan dien morgen van weleer, Toen ik lachend, zonder zorgen, Blikte hoog van de Alpen neer.
[Genestet pagina] [Coster pagina]
Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001