Ik heb een leelijk trekje, Ontdekt in t kleine hart Van ons aanvallig bekje Dat baart mij groote smart. Ik heb tot God gebeden Dat hij mij raden wou, Hoe k best dat hartje kneden, Dat plantje sturen zou? Met bidden of bevelen, Met rede of krachtbetoon? Met strijden of met streelen, Met vrees, of hoop op loon? Met plooien, pleistren, schikken? Met onweerstaanbren dwang? Met groote booze blikken, Of teedren liefdedrang? Met ééne les voor t leven, Een harde les, misschien? Met op de vingers geven, Of door de vingers zien? Met vaderlijke tranen Aandoenelijk en week? Met kort en zacht vermanen? Of mooglijk met een preek? Met leeren en betoogen? Met zeekre dogmatiek? Ik vreesde, o kinderoogen, Uw oolijke repliek! Zoo stond ik te overleggen Hoe ik mijn trouwloos wicht, Het juiste woord moest zeggen En brengen tot haar plicht. Zoo stond ik half verlegen, Met teedre zielepijn, Te wikken en te wegen, Wat hier de weg zou zijn? Ik heb wel alle dagen, Gelijk mijn plicht mij riep, Dat hartje gaê geslagen, Maar t kinderhart is diep! Vast zou ik minder schromen Had ik, als andren doen, Een stelsel aangenomen Om kindren op te voên. Doch mooglijk zou t niet passen, Schoon anders overal, (Een ding kan ons verrassen!) Juist hier in dit geval. Dus vraagde ik God een lesje Daar kwam zij aangetreên, t Hooghartig zondaresje, Gebogen, week en kleen; Vanzelf met wankle schreden, Met schaamte in blos en blik, Gants droevig ontevreden Op eigen leelijk Ik. Daar kwam zij aangetreden En kuste mij zoo teer, En heeft haar schuld beleden Raad wat ik hieruit leer? t Geval was mij een teeken, Een teeken trouw en goed: Wacht bidt! God zelf wil spreken Temet in t jong gemoed: En weet, wat rede of roede Ooit vaardig breng terecht Méést werkt de kracht ten Goede Door hem in t hart gelegd. Wat zwakheid moog bederven, Uw wijsheid doet veel meer Vaak t wonderbloempje sterven, Dáár kiemend tot zijn eer!
[Genestet pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.