DE HERTOGIN VAN ORLEANS

P.A. de Gťnestet (1829 – 1861)

1848.

     Gij alleen waart Koningin,
Bij het spatten van hun kronen,
     Bij ’t uiteenslaan van ’t gezin,
Bij het kraken van hun tronen;
     Gij, vol moed en moedermin,
Midden tusschen al de dolken
     Van de fijnstgeslepen taal,
Bij den oproerkreet der volken,
     Bij het dreigen van hun staal!

     Midden tusschen al ’t geschreeuw,
Kalm en zwijgend – maar welsprekend!
     Vorstenmoeder, KoningsweeŻw,
Door den vinger Gods geteekend
     In het midden van uw eeuw,
Om de smaadheid, om de vlekken
     Der verworpen majesteit
Met den mantel te overdekken
     Van uw koningsheerljkheid!

     Smeekend, zeegnend stondt gij daar,
Als een vredeboŰ verrezen,
     Bij ’t dringen van ’t gevaar:
Laat mij Frankrijks engel wezen,
     En dit kind..., uw martelaar!
Schooner nog dan in die dagen,
     Toen, omstraald van Juliglans,
’t Land der riddren roem mocht dragen
     Op de Bruid van Orleans!

     Schooner nog dan toen weleer,
Om de wieg van d’ eerstgeboren,
     ’t Zegelied van vrede en eer
Zich uit Frankrijks hart deed hooren
     Voor zijn lievling en zijn Heer!
Thans!.... die volksstem brult
     Verwoeder, Ongewisser dreigt de kans....
Luider spreekt de stem der moeder
     En der WeeŻw van Orleans!

Maar dat moederlijke bloed
     Moest wel tot den einde vloeien
Met een onversaagden moed,
     En die vrouweboezem gloeien
Van een koninkljken gloed...
     Anders, telg der Julidagen,
Kost gij wenschen, dat uw zoon
     Op zijn hoofdje ’t wicht zou dragen
Van een Februarikroon?

     Moeder! zoo gij ’t eischen dorst,
0, gij wist, dat ge in uw armen
     Niet het sieraad van uw borst,
Maar het heilge moet beschermen,
     Maar het weesje van uw Vorst!
En, bij ’t stormen der gevaren,
     Kroost en volk en vorsten saam
EÍn herinring grootsch bewaren
     Aan een grooten, dierbren naam!

     Koningszoon, van God verhoogd,
Eer een kroon u ’t hoofd zou drukken
     Wier gewicht gij nimmer woogt,
Hebt gij-zelf in zielsverrukken
     Uwer weduw traan gedroogd?
Was ’t uw blik die haar bestraalde
     Toen, in haar, uw vorstenzon
Koninklijker nederdaalde
     Dan zij immer rijzen kon!

     Ja, zijn geest, o bleeke vrouw,
Streed met u dien strijd der smarte:
     „Wees, mijn gade, wees getrouw!”
Klonk het in uw biddend harte,
     Klonk het in dien nacht van rouw!
Hij was ’t, die u sterkte en steunde,
     Tusschen vloek en lofgeschal,
Toen een halve wereld dreunde
     Van dien daverenden val!

     Lelie, waar de ceder viel,
Beur uw stengel naar de wolken!
     Dat het kroost der vorsten kniel’
Voor de Goden hunner volken –
     Vlekloos blijve uw vorstenziel;
En uw naam zal heerlijk suizen
     Door de jongste orakelblaÍn,
Over ’t puin der koningshuizen
     Als een koning zal hij gaan!

     Waar de balling werven moet,
Met een kroon van schimp beladen,
     Slechts door ballingen gegroet;
Waar hij, op zijn vreemde paden,
     Geen getrouwen meer ontmoet;
Waar zijn broederen hem honen,
     Waar zijn voet zich scheuren zal
Aan de splinters van hun tronen,
     Neergesmeten door zijn val;

     Waar geen eigen graf hem wacht,
Waar de PyreneŽn schateren:
     Sluwe staatsman, waar uw macht?
En alleen ’t geruisch der wateren
     Klagende antwoordt op zijn klacht;
Waar op Frankrijks kluchttooneelen,
     ’t Zedelooze volk ten spot,
’t Grijze hoofd een rol zal spelen
     Wreeder dan op ’t moordschavot....

     Gij, vorstin in ’t rouwgewaad.
Laat de vrije volken handelen
     Naar des hoogsten Konings raad,
Door de volken zult gij wandelen
     Zonder wrok en zonder smaad!
Heil den bodem, heil den koning,
     Waar die koningsdochter huist!
Vrede dier onschendbre woning,
     Vrede, waar dat rouwkleed ruischt!

     Paarlen der welsprekendheid
Op dien rouw, o Lamartine,
     In bewondering gespreid!
Dat uw naam geen vloek- verdiene
     Dier verheven majesteit!
Haar uw lauwren, volksgenieŽn,
     Heldenmuze, haar uw klacht,
Koningszonen, buigt de knieŽn,
     Vrije volken, houdt de wacht:

     Voor haar wijkplaats houdt de wacht,
Als op nieuw de driften wrokken,
     Als in ťťnen wreevlen nacht –
Weer die grijze tronen schokken
     Door een onweerstaanbre kracht!
Als voor woede- en lasterkreten
     Voor het spottend handgeklap,
Gij geen heul of heil mocht weten,
     Koningsbloed en koningschap....

     Weduw, wandel over ’t puin
Van ’t paleis, in asch verzonken,
     En het ingestort arduin;
Want een stemme heeft geklonken
     Om uw opgeheven kruin:
Deze koningsweeŻw is heilig,
     Zuiver van de vorstenblaam:
Deze koningsweezen veilig
     In de schaduw van haar naam!

[Genestet pagina] [Coster pagina]


Ingezonden door J.R. van Wijk op:  19-07-01