HET PENNINGSKE DER WEDUWE

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

Markus XII 41- 44.

Al wanklend kwam zij aangetreden,
  De zwakke vrouw, wier minnend hart
  Nog bloedde van de versche smart;
Want, ach, het was zoo kort geleden
  Sinds haar een trouwe gade ontviel,
  De vreugd eens der gebogen ziel.
Met wien ze, ootmoedig en tevreden,
  Het zuur verdiend maar daaglijksch brood,
Gekruid door lofzang en gebeden,
  In vroomheid, liefde en vreê genoot.

En nu? die staf en steun in ’t leven,
  Haar alles was haar zijde ontroofd,
Haar was alleen de zorg gebleven –
  En biddend boog de vrome ’t hoofd.
Want zwijgend in Zijn welbehagen,
Die kracht geeft om Zijn last te dragen,
  Bleef haar, te midden van dien rouw,
Een burg, een tent van schaûwrijk lover,
Een schat, een heilig erfdeel over
  ’t Was Isrels God, Jehovah’s trouw.

O wèl haar, –wie Uw liefde sterkte,
  Gij Man der weduw, vriendlijk God!
Die wondren in haar ziele werkte
  Bij al den weedom van haar lot.
Tot U rees in Uw tempelhoven,
  Haar nooddruft brengende U ter eer,
Het loflied van haar ziel naar boven:
  „Hoe lieflijk is Uw woning, Heer!”
Want zij was één dier warmbezielden,
  Dier heugen uit den ouden stam,
Die voor hun God Jehova knielden!
In ’t heilgeloof van Abraham!

Ook nu had ze in den heilgen tempel
  Weer troost gezocht, bij ’t koestrend licht
  Van ’s Heeren lieflijk aangezicht;
Slechts bij ’t verlaten van Zijn drempel
  Bleef nog een dierbre liefdeplicht: –
En zie, met neergeslagen oogen,
Beschaamd, verlegen, ’t hoofd gebogen
  Voor Hem, die al haar nooden wist,
Wierp ze alles, wat haar restte in ’t leven,
  – Verzuchtende of zij meer kon geven!
Haar penningske in Zijn offerkist.

Geen Farizeeuw of Schriftgeleerde,
Die luid Jehovah’s naam vereende,
  Wien onder ’t breedgezoomde kleed
  Een hart sloeg, deelende in haar leed.
Te nietig was ze in ’t oog dier grooten,
Die de armen uit Gods hemel sloten
  Geen, die een vniendljk woord haar schonk,
  Geen blik, die tot haar nederzonk....
Maar ’t penningske was niet verloren!
  Wat kleen en arm was en veracht
  In de oogen van een dwaas geslacht,
Dat kleene heeft zich God verkoren.
  En Die ’t getuigde, vrouw, is dáár!
  Hij rijst in ’t midden van de schaar,
Uw offer heeft genaê verkregen!
Zijn stem, o zaalge, klinkt u tegen,
  En ’t woord is eeuwig, trouw en waar;

„Voorwaar, Ik zeg u, de enkle penning
  Van deze weduwvrouw geldt meer,
  In ’t heilig oog van d’ Opperheer,
Bij wien geen maat is of miskenning.
  Dan ’t geen heel de offerkist bevat,
  O rijken, van uw trotschen schat!
Den overvloed is veel gebleven,
  Maar deze heeft, in God verblijd,
  Haar laatste nooddruft Hem gewijd....”

En de englen hebben ’t opgeschreven
In ’t heilig Boek van ’t eeuwig leven,
  Ga, vrouw, u wacht een heerlijk loon:
„Dien penning hebt gij Mij gegeven,”
  Verklaart Gods eenig groote Zoon.
2 Juni 1846. 

[Genestet pagina] [Coster pagina]


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001