JONGE ROEPING

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

Aan...

Niet te droomen, niet te zuchten,
   Niet te klagen, naar ik meen
Niet te schuwen noch te vluchten
   ’s Levens reine lief1jkheên

Maar te midden van den zegen,
   Die u toestroomt van uw God,
Bloemen strooiende op uw wegen,
   Liefde wevende in uw lot;

Maar met vrome, vroolijke oogen,
   Frisch en jeugdig en gezond,
Dankende op te zien ten hoogen
   En vertrouwende in het rond;

Maar ootmoedig en bescheiden
   En beminlijk en bemind,
Vrede en vreugde te verspreiden,
   Als eens rijken vaders kind!

Dat is leven God ter eere,
   Naar de roeping uwer jeugd,
Naar de trouwe liefdeleere,
   Die verzoent, vertroost, verheugt:

Want de kindren Gods zijn blijde,
   Blijde ook onder strijd of plicht;
’t Leven heeft zijn donkre zijde,
   Maar hun ziele heeft het licht.

’t Sterft wat bloeit in de aardsche dreven,
   Maar voor ’t hart in God gerust,
Uit den grond van ’t hooger leven
   Bloeit steeds frissche levenslust.
1856.

[Genestet pagina] [Coster pagina]


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001