De Sint-Nikolaasavond

Een Amsterdamse vertelling

P.A. de Gnestet (1829 – 1861)

I

 
  Wie heeft daar ooren voor een dwaas, ondeugend lied?
  Wien belgt een losse scherts en ronde waarheid niet?
Wie laat mij vrijheid om te zeggen en te zingen
Al wat ik hoorde en zag, al zijn het vreemde dingen! –
  Dat zal mettertijd veranderen, menschen! maar
  Ik wil niet veinzen voor mijn drie–en–twintigst jaar. –
Wie kijkt de wereld in met onbenevelde oogen
En wordt niet graag door schijn, hoe deftig ook, bedrogen!

II

  Gij zijt mijn man en ik omhels u in den geest,
  Voor u te zingen is mijn blijde jeugd een feest!
Voor u mijn frissche lach, mijn opgeruimde zangen:
Den ronden lach terug wil ik tot loon ontvangen,
  Uw tranen wil ik niet.  Die kostelijk schat
  Komt beter u te pas op eigen levenspad,
En zoo ik u verveel – de hachelijkste aller kansen –
Dan moogt gij bij mijn vers gaan slapen, fluiten, dansen.

III

  Ik zong mijn huidig lied alleen uit levenslust,
  Soms in een dwaze bui, soms in den arm der rust.
Natuurlijk, dat ik dus mijn zinnen niet vermoeide
Met hopelooze Min of moord, en gruwlen broeide.
  ’k Ben zorgloos en tevren, mijn lied moet vrolijk zijn:
  Brengt peper aan en zout, o Muzen! geen venijn.
Dees glimlach doet geen zeer, tenzij ge u boos zoudt maken,
Als ik met zeekren dwaas een nootje heb te kraken.

IV

  Beziel me, o plaaggeest der beminde Pozij,
  Beziel me, o schalke nimf der fijne plagerij!
Ik weet een klein verhaal vol vaderlandse grappen,
Dat ik met hart en ziel mijn vrienden wil verklappen.
  En zoo het waar mag zijn dat een verstandig man
  Uit wat hij hoort of ziet een lesje trekken kan,
Dan durf ik veilig en vrijmoedig hier beweren,
Dat ge uit mijn kleen verhaal – al lacht gij – ook kunt leeren!

V

  Ik put mijn stof uit geen bestoven foliant,
  Maar ’k nam gedurig toch een aardig werk ter hand,
Een boek vol pozie en proza, diepte en klaarheid,
Vol onzin en vol geest, vol laster en vol waarheid;
  Voor wie maar lezen wil is ’t altijd bij de hand
  En in gezelschap soms bijzonder amuzant;
Een werk voor iedereen door iedereen geschreven,
Vol studie, vol natuur; ’t is, hoorders, ’t is? Uw leven.

VI

  Mijn kunstloos drama, want dien naam verdient het wel
  Al breng ik niemand aan de poorten van de Hel,
Mijn vroolijk drama speelt in achttien honderd zeven
En veertig: dag en uur is lang niet om het even,
  Raadt zelv’: ’t speelt op een dag, die,  wat hij brenge of baar,
  Toch altijd is en blijft de zoetste van het jaar,
De bitterste misschien, gelukkigen en rijken
Voor d’armen snoeper, die bij alles toe mag kijken!

VII

  Een vriendelijken dag, een trouwe kindervrind,
  Een dag, die elk van ons heeft liefgehad als kind,
En die nog pas uw beurs, uw kroost, uw maag, uw woning,
Bepaald in opstand bracht; een bisschop en een koning,
  Vol zoetheid voor den mond, vol zielezaligheid,
  Wiens naam gij langer niet kunt zwijgen, lieve meid,
Wie hij, jaar in, jaar uit, een stroom brengt van cadeautjes,
Altijd incognito van twintig beaux en beatjes!

VIII

  Sint–Nikolaas, niet waar? O wl hem, wie dat feest
  Nog altijd meeviert met een kinderlijken geest!
Wiens hoofd niet al te zeer vervuld is van die schatten
Der wijsheid, die helaas, mijn brein niet kan bevatten,
  ’k Meen beursnieuws, politiek en soorgelijke meer,
  Om met zijn kinderen me, te leven in ’t weleer,
Om dagen lang vooruit de winkels rond te dwalen,
Of aan een „vrijster” nog zijn hart eens op te halen!

IX

  Ik min dien winterdag vol bloemen, lied en geur,
  Ik min dat zoete feest van suiker en likeur,
Het zielverkwikkend ijs, de schuim der limonade!
’k Zie, liever dan in druk, mijn naam in chocolade!
  En Epikurus, zeg, is niet de lekkre tand
  De trouwste paranimf der kies van ’t waar verstand?
Vindt me’ in de Republiek der stille lekkerbekken
Niet meestal wijze lin of j– schadelooze gekken?

X

  ’t Was, hoorders, Sint–Niklaas.  De trouwe Bisschop had
  Zijn aankomst reeds gemeld aan IJ– en Amstelstad,
En keur van industrie en kunst vooruitgezonden.
Reeds zweeft en leeft zijn naam op duizend, duizend monden,
  Reeds had hij overal om gulheid en „belet”
  Geschreven en gevraagd met brieven van banket;
En – hoe me’ ook elders een Bisschop zou ontvangen,
Sint–Niklaas wacht men op met zoete kinderzangen.

XI

  O, Bisschop! schook ’k niet licht een Heilige vertrouw,
  Gij zijt een Heilige, dien ’k haast aanbidden zou;
En daad van minzaamheid, van weldoen was uw leven,
Uw liefde heeft uw naam de onsterflijkheid gegeven:
  Och, dwazen, die een naam, een grooten naam begeert,
  Kent gij er een, zoo rein, zoo schoon, zoo stil vereerd,
Die dus, eeuw in eeuw uit, met hartlijkheid bejegend,
In ’t hart der kindren leeft, door kindren wordt gezegend?

XII

  Ja, Kinderheilige, nog neemt mijn hart u aan!
  En had de wereld slechts wat beter u verstaan,
Uw geest van weldoen en van liefde meer begrepen,
’k Zou met uw naamdag nog geruster kunnen dwepen.
  Want, lieve hoorders, is ’t niet kannibaalsch en wreed,
  Dat men op zulk een feest het hongrig volk vergeet,
Dat met een zieklijk oog komt op uw lekkers azen,
En met zijn bleeken neus kleeft aan de winkelglazen?

XIII

  Het was dan Sint–Niklaas.  ’t Is feest in stad en huis.
  De straten zijn vervuld van ’t woelig koopgedruis,
En menig woning vol verwachting en gezangen,
De kindren vol respekt, de meisjes vol verlangen.
  Geen jonge bruigom, die zoozeer naar de’ avond smacht,
  Als menig schalke knaap dees groote avond wacht,
„Plein de mystres,” zoo niet de eerste twijfelingen,
Reeds schuldig en waanwijs, zich in zijn hartje dringen.

XIV

  En nu, mijn vrienden, nu gij dag en datum weet,
  – Zoo duidlijk dat gij ’t wis van avond niet vergeet, –
Geeft mij na al die soep, nog weinige oogenblikken,
Om mijn tooneel en personages wel te schikken.
  De klucht speelt binnenshuis; ik zou, wanneer ik wou,
  Een wijk, een gracht en zelfs een nommer, zeer getrouw
U kunnen noemen, maar om ’t niet te ver te drijven,
Zal ik dat maar blauw–blauw of blanco laten blijven.

XV

  Ik leid u binnen in een lieve, ruime zaal,
  Vol vroolijkheid en licht, vol kinderpret en praal;
En ’k liet u graag de rest er zelf maar bij verzinnen,
Om daadlijk met de kern van ’t sprookje te beginnen,
  Maar dat verbiedt de kunst!  Eer toch, u hoorders, groeit
  De kokosnoot bevrijdt van d’ijzren schil, eer vloeit
Haar melk den wandlaar toe, eer, om de minste zaken,
Een schijver niet een schild beschijvingen zal maken!

XVI

  Het zij dan zoo: mijn zaal is als een andre zaal,
  Iets grooter dan bij u; ’t kleed wordt een beetje kaal,
Juist als bij u, niet waar?  ik weet uw dochters droomen
Van danspartijtjes als dt kleed wordt opgenomen.
  ’t Plafond is hoog en rijk als ’t uwe; zie, is dit
  Niet uw behangsel, blauw met donkergrijs en wit?
Schoon ik erkennen moet, Mevrouw, dat uw gordijnen,
Die stiller zijn van kleur, mij veel gepaster schijnen.

XVII

  De marmren schoorsteen is met luxe en licht bevracht,
  Ginds prijkt een kastje vol van Japanneesche pracht;
Als mijn financies mij die grappen permitteeren,
Laat ik mijn zaal precies z meubileren:
  Twee sofa’s, n voor mij, n voor de lieve duif,
  Die neerstrijkt in mijn hof! zacht als haar zachte kuif,
Haar nekje van fluweel; tenzij ik mocht bedenken,
Dat n voor twee wellicht nog meer genot kon schenken!

XVIII

  Et caetera: de rest precies in de’ eigen trant,
  Zeer comfortable, zeer chicard, zeer elegant.
Ik geef u vrijheid, als gij duidlijk kunt bemerken,
Mijn schets naar eigen smaak behoorlijk uit te werken.
  Slechts dit nog dient vermeld: dr, boven het buffet,
  Praalt in een gouden lijst een blinkend mansportret,
Waarop ik niettemin voor geld noch goud wou lijken,
En dat ik toch met u wat nader wil bekijken!

XIX

  Maar ’t origineel vast even dichtbij
  En even lelijk is, als gindsche prachtkopij,
En daar ik bovendien mijn hals niet heb te rekken,
Om ’s mans fyzionomie en minnelijke trekken
  Voor u te schetsen naar de levende natuur –
  Zoo, hoorders, heb ik de eer den schalk, die ginds aan ’t vuur
Zijn zielsgeheimen zeer intiem schijnt te vertellen,
U als den Heer van ’t huis en.... leelijk voor te stellen.

XX

  Ja lang niet mooi.... en toch vol fraaie deftigheid;
  Hij vult zijn leuningstoel met breede majesteit;
Zijn boezem, wit als sneeuw – ik breng zijn stijfster hulde –
Zet hij zoo hoog alsof zijn naam zijn eeuw vervulde!
  Hij knijpt zijn oogen soms, zoo zalig, zoo vermoeid,
  Als op een warme stoof het poesje dat zich broeit;
Toch ziet de mean er uit of hij van drift zou stikken,
Als gij hem met een speld dorst in zijn beenen prikken.

XXI

  O vaak is mij de lust bekropen dees of geen
  Te prikken met een speld in ’t molligst van zijn been!
Den reednaar in zijn vuur, den opgeblazen dichter,
Den stijfgeplooiden fat, den grooten volksverlichter,
  Den schoolvos, die den grond doet kraken van zijn poids,
  Den hooggeleerden heer, wiens voetstap zegt: C’est moi!
En al die godjes, die zich zelven adoreeren,
Zou’ k met n speldeprik, hun menschheid willen leeren!

XXII

  Voorts is mijn vijftiger zoo min of meer gebuikt,
  Zoo min of meer gedast en min of meer gepruikt;
Een man, die even stijf geschroefd zit in zijn boorden,
Als in zijn prjugs: die aan zijn minste woorden
  Een klank geeft en een klem, een nadruk, een gewicht,
  Als bracht hij, waar hij sprak, een misdaad aan het licht;
Nog bromt hij door een neus, beroofd van alle gratie,
Die paars wordt aan zijn punt, in ’t vuur der konverzatie.

XXIII

  Toch had Meneer een club, die aan zijn lippen hing –
  ’t Bewijst niet machtig veel voor dezen vriendenkring –
’t Was heus! een knappe vent – zoo zei men – en in zaken
Van Politiek was ’t best niet met hem slaags te raken!
  Nu was de Staatskrant ook zijn „cours de politique”,
  En dat ’s een deeglijk werk en duchtig satiriek,
Welks vroolijk mengelwerk en geestig kolommen
Alle oppositiegeest, zijns inziens, den verstommen!

XXIV

  Hij viel niet machtig slim: zelfs had hij in zijn jeugd,
  Gerechte Hemel! voor de studie niet gedeugd;
Maar hij ’s nu ouderling en jonkheer; kommissaris
Van zijn beminde club, waar alles even „naar” is;
  Een groot vereerder van het edel paardenras,
  En – soms niet wel bij ’t hoofd, schoon altijd wel bij kas.
Ook kocht hij alle–jaar den Almanach de Gotha
En wist de titels van de vorstjes op een iota.

XXV

  De man is op den duur zoo taamlijk in zijn schik
  Met zijn positie in de wereld en zijn Ik;
Een luie rentenier, geschapen voor een kussen,
Met truffels opgevuld, met zothen en – met Russen.
  Hij oordeelt – allen over alles – overal,
  Heeft veel congesties, veel onaangnaams en veel gal;
Is vr het hangen, vr het geeslen, vr het branden,
En vindt zijn weerga niet in ’t rijk der Nederlanden.

XXVI

  Bekrompen als een best, die eeuwig kousen stopt,
  En – bij een onweer – om haar ouden zonden tobt;
Hij knort, als hij verliest, een flauw partijtje spelend,
Is bar konservatief en radikaal vervelend;
  Kortom een dwaas figuur in deze triestige eeuw,
  En ook nog.... Ridder van den Nederlandsche Leeuw!
En dt ’s nu just zijn fort! want mijn gelukkig vrindje
Sprak van zijn geeltjes graag, maar liever van zijn lintje.

XXVII

  Hij achtte ’t lief kleinood, gelijk zich–zelven, hoog:
  Een oversierde rok in ’s mans diepvorschend oog
Was geen gekleede rok; een mooie dekoratie
Kon altijd reeknen op zijn eerbied en zijn gratie,
  Hij keek zijn menschen nooit naar ’t hart of hoofd, maar ’t was
  Zijn lust te kijken naar het knoopsgat van hun jas;
Zelfs zijn koetsier had, uit zijn diensttijd, een medalje,
En dus een streepje voor bij ’t overig „kanalje.”

XVIII

  Hij vroeg nooit: Is die mensch knap, eerlijk, braaf, geleerd?
  Maar heeft hij iets? of wel: Is hij gedekoreerd?
Hij–zelf, hij droeg een star, zelfs als hij ziek en thuis was,
Ook op zijn chambre–cloak, zijn over– en zijn huisjas.
  De man was op dat punt waarachtig monomaan,
  Alleen met ridders kon hij goed uit wandlen gaan.
’t Is vreemd – maar als gij ’t heer wilt in zijn glorie kennen,
Moet gij van lieverlee aan duizend dwaashen wennen.

XXIX

  En al die dwaashen zal ik zeggen in mijn lied,
  Hoe laf, hoe min, hoe dom.  De waarheid schaamt zich niet,
Mij zweeft een eerlijk doel voor onbenevelde oogen,
Maar die niet liegen kan, wordt ook niet graag bedrogen.
  Ik moet vertellen wat ik hoorde, wat ik zag;
  Ik dien de waarheid trouw, n met een ronden lach,
Straks met een ernstig woord. – Dies, wat ik mag verlangen,
Is dit: och oordeel niet voor ’t amen van mijn zangen!

XXX

  ’t Was, hoorders, Sint–Niklaas.  Ziet verder in het rond,
  De kindren hangen op de stoelen, langs den grond:
’t Zijn n, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven kinderkopjes,
Nu, bij ’t minst gedruis, schier onder pijpendopjes
  Te vangen – dan weer, fluks bemoedigd door de taal
  Der lieve moeder, aan het woelen door de zaal:
Zoodat een heer aan ’t vuur al eens zijn „br” liet hooren,
Maar nog te goed schijnt om de kindervreugd te storen.

XXXI

  Vier lieve diertjes zijn van ’t ridderlijke nest:
  En manlijk oir, drie blonde dochtertjes; de rest
Familie, neef en nicht, gewoon sinds vele jaren
Dees dag hun vreugd aan die der riddertjes te paren,
  Straks wordt er braaf gestrooid, gegrabbeld en verrast:
  Wij grabblen me! niet waar?  Elk uwer is hier gast,
En schoon gij mooglijk voor die kinderpret zult passen,
Ik hoop u toch met een surprise ter verrassen.

XXXII

  Een vriendlijk oogenpaar, vol reine moedervreugd,
  Bespiedt de spanning van de feestelijke jeugd;
’t Is de eedle vrouw van ’t huis, in alles onderscheiden
Van onzen Ridder, want – zij heeft verstand voor beiden.
  Zij ziet de dwaashen van haar echtvriend met geduld,
  Zij is in ’t vrouwlijk hart met nedrigheid vervult,
In huis een trouwe zorg, knap, ordlijk, lief en handig,
En voor de wereld schoon en geestig en verstandig.

XXXIII

  De Ridder voert in huis een despotieken toon:
  Hr schepter is ’t verstand, en zachtheid – hr gebon.
z geniaal weet zij met Manlief om te springen,
Dat zij nooit kibblen, nooit! en toch – de meeste dingen
  Ten slotte naar heur wil geschieden.  Bij veel liefs
  Heeft zij iets deftigs en van avond iets pensiefs;
Zoo tusschenbeide laat zij stil haar handwerk varen
En blijft glimlachend op haar oudste dochter staren.

XXXIV

  Wat peinst de brave vrouw?  Dat zult gij later zien:
  ’t Wordt tijd dat we onzen groet, der lieve dochter bin,
Die voor het theeservies juist, enz!  ’k hoor schellen
En ben genoodzaakt mijn verrukking uit te stellen
  Tot nader!  ’k geef vooreerst het mooie meisjen op
  En vlieg, niet langzaam, naar den blinkend koopren knop
Der deur.... denk niet dat iets bijzonders zal verschijnen,
Want, lieve vriend, die hoop zou ras in rook verdwijnen

XXXV

  Twee ooms, twee tantes treden in, gedekoreerd,
  De tantes niet, maar de ooms.  Men rijst, men informeert
Naar weer en welvaart; een van de ooms had pas het pootje
Den anderen nemen fluks twee neven in ’t ootje,
  Die te oud voor Sint–Niklaas, zich op een kanap
  Vrij bar verveelden, spes patris et patriae!
Kwajongens, die de taal der godlijke oudheid leeren,
Sigaren rooken en den „piepa” niet vereeren!

XXXVI

  Een ieglijk neemt zijn plaats, de dames aan den disch,
  De heeren aan den haard; de konverzatie is
Het weer en ’t pootje steeds.  Straks zullen onze heeren
Zich mooglijk om den staat der fondsen alarmeeren....
  Wij luistren liever niet, tenzij des Ridders neus
  Tot paarsheid overslaat, dan wordt de zaak kurieus.
Voorts weten we allen dat Jan Helmers’ groote Natie
Niet machtig groot is in de kleine konverzatie!

XXXVII

  Voor mij althans (hoe egost) ik luister wel
  Zoo graag en grager nog naar ’t klinglen van de bel,
Die nu gedurig roept en ’t lied der kindren zwijgen
En op hun schuw gelaat een aardig angst doet stijgen.
  De schel op Sint–Niklaas is als een tooverfluit
  En zoet in ’t oor der maagd als ’t lied van ’s minnaars luit;
Pas klinkt haar stem en streelt de hooggespannen zinnen
Of dierbre geesten met kadeautjes stroomen binnen.

XXXVIII

  ’t Was circa zeven uur toen voor de tiende maal
  Een opgeprikte knecht trad in de groote zaal
En de oudste dochter een klein pakjen overhandde,
Waaraan het lieve kind haar fijne vingers brandde;
  Want nauwlijk haalt zij uit het mysterieus pakket
  Het elegant kadeau, een gouden bracelet,
Te voorschijn, met een blos en hemelvreugd in de oogen,
Of – de oude heer kijkt scheel en fronst de wenkbrauwbogen.

XXXIX

  Hij loert, hij gromt, hij draait een treedt op ’t meisje toe,
  Bekijkt met grammen blik – Wat is dat „God and you?”
– Het was de inscriptie van de bracelet van binnen –
Wat „God and you?” – wat, zou die schelm jou nog beminnen?
  Hij–jou–die–mij–wien–ik! (’s mans neus wordt purperrood),
  Wien ik (hij blaast) mijn huis, (hij vloekt) mijn ooren sloot!
Die adder, die mijn eer, de mijne heeft geschonden!
Beken maar, ’t is van hem! en – `t moet teruggezonden.

XL

  Het ranke meisje bloost en siddert als een riet,
  Haar moeder knikt haar toe en fluistert: wanhoop niet!
Geen woord meer van dat prul! zegt de oude heer nog bevend.
Maar daar ik meen, dat, trots die toespraak zoo wellevend
  En minzaam, vrienden, gij, die scne die gij hoort,
  Toch niet verstaan kunt, zal ik daadlijk met een woord
U brengen op ’t terrein van die familiezaken:
Dan moogt ge tevens met de dochter kennis maken.

XLI

  Het is een meisje zoo charmant en zoo pikant,
  Zoo allerliefst lief en zoo gloeiend amusant,
Dat ik (’t is nu misschien een jaar twee, drie geleden,
En sinds dien tijd aanbad ik andre lieflijkheden!)
  Dat ik soms dagen lang en menig langen nacht,
  Dat vraagstuk der natuur, dat raadsel overdacht
En peinsde, als Bogaerts in zijn onvergeetlijk „Truitje”:
Hoe drommel! kwam zoo’n aap aan zulk een geestig spruitje?

XLII

  Gij kent, mijn hoorders, niet?  gij kent Luilekkerland?
  Gij weet hoe de arme dwaas, die aan dat zalig strand
Des levens zorg en smart wil vlieden en vergeten,
Eerst door een rijstberg heen moet worstelen en eten?
  Die berg is de oude heer, het meisjen is die kust;
  Wie haar aanbidden dorst, moest voor zijn zoeten lust
Heen bijten door Papa! dat werk was niet vermaaklijk,
Een berg van rijstebrij was haast nog wel zoo smaaklijk!

XLIII

  Ja, schoon hier alles veinst, het had niet weinig in,
  Zich te verdraaien tot een schoonzoon naar zijn zin;
Die berg van domme ides en nonsens gansch te slikken
En niet bij ieder brok van walging haast te stikken;
  Te kijken naar zijn lint, dat breed door ’t knoopsgat stak,
  Gelijk te geven of – te zwijgen waar hij sprak,
Al sloeg hij door op iets hoe dom ook en hoe grievend,
Al prees hij niet „de Tijd”, maar erger.... „’t Letterlievend.”

XLIV

  Maar ’k zweer u, ’t lieve kind was wel de moeite waard,
  Ook hadt gij haar niet lang en strafloos aangestaard:
Was de oude gek – een Draak, zij wekte in ’t minnend harte
Een ridderlijke drift, die alle draken tartte!
  Maar zoo de Hugo’s en Tancredo’s van weleer
  Een draak, een burg, een land bevochten voor hun eer
En voor een blauwe sjerp...  gij mocht een kaartje spelen
En met een monster van verveling u vervelen!

XLV

  De jonge schenker van de gouden bracelet
  Had zich om de eedle maagd gewaagd aan al die pret.
Reeds op haar eerste bals was hij haar liefste aanbidder,
En schoon de Ridder had bepaald dat slechts een Ridder
  Van de’ echten stempel, eens zijn schoonzon worden zou,
  Toch had een knaap die liefst geen ridder wezen wou,
Na duizend moeilijkhen, in ’t eind acces gekregen,
Vooral omdat Mevrouw hem hartlijk was genegen.

XLVI

  Hij had met nooblen zwier te Leiden gestudeerd,
  En was op theses en vernuft gepromoveerd.
Het corpus juris had zijn geest hem niet ontnomen;
Hij leefde van zijn geld en van zijn zoete droomen,
  Hield veel van verzen, ale en oesters en muziek,
  Was niet vervelend en toch ver in politiek,
En twee–en–twintig jaar, ’t geen schoonpapa deed zeggen,
„Dat hij den ouden mensch nu spoedig af moest leggen.”

XLVII

  Een week lang hield mijn vriend zijn leven reedlijk uit,
  Kwam zevenmaal en had het zevenmaal verbruid.
Mevrouw maakte alles goed, het lieve kind souffreerde,
En hij, schoon de oude Draak hem „gloeiend” embteerde,
  Hield zich weer veertien daag vol zelfverloochning goed
  Hij plooide zijn verstand, zijn trekken, zijn gemoed;
Toch ging de ridder voort hem steeds te chicaneeren,
En bromde: „’k zal dat heertje in ’t eind wel mores leeren!

XLVIII

  Een schriklijke avond kwam.  De ridder knort en kniest,
  Omdat hij gruwlijk heeft verloren bij zijn whist,
En zoekt een’ ander om zijn noodlot op te wreken;
Hij vindt dien in mijn hel: „O jongen, ’k moet je spreken,
  Ik hoor je gaat je somst te buiten... wel verstaan?
  Te buiten aan het Rijm?  Dat’s dom, dat kan niet gaan,
Zoo krijg je nooit een... maar dit uurtje is toch verloren,
Kom, snijd eens op!  ik wil die prullen ook reis hooren.”

XLIX

  Toen voer de duivel in des jonglings ziel: „Meneer” –
  Zoo spreekt hij, bijtend in zijn lippen – „Te veel eer!”
De slang sist in zijn hart: Hier kan geen engel zwijgen,
Ik zal dien dommen dwaas het bloed naar ’t hoofd doen stijgen!
  Hij denkt volstrekt niet aan de suites van zijn daad,
  Hij heeft zijn wraak in ’t hoofd – hij aarzelt niet – hij gaat
Brutaal juist vis––vis den Ridder zich posteeren...
En lieve hoorders, hij vangt aan te deklameeren:

Uit het land van Kokanje

1

  Daar leefde – het sprookje schijnt waar op mijn eer –
  Een moedige, goedige koning weleer;
             In zijn zalige jeugd
             Had de roem hem verheugd,
Nu woonde hij stil in het land van Kokanje,
Hield veel van zijn volk en nog meer van – champagnje.

2

  Aan tafel, bij ’t schuimen van d’ edelen wijn,
  Met makke ministers aan ’t geurig festijn,
             Sloeg hij dikwijls een ui,
             In een lustige bui,
En schreeuwde, verrukt door de flesch die hem lief was!
Dat de eerste minister een oolijke dief was!

3

  Hij scheen met die heeren bepaald familjaar,
  Vaak zaten ze laat in den nacht bij elkar,
             Met een eerlijken roes,
             In een heerlijken soes,
En brachten het verder in snuggere zetten,
Dan ’t slimste, dan ’t leepste der staats–kabinetten.

4

  Het hof van mijn prins was aardig als geen
  Zijn Rijkskanselier van zijn Hofnar meteen:
             ’t Was een schrandere borst,
             Hij kwam goed bij zijn vorst,
Want wie was zoo bemind als de Heer van Kokanje
Of geestig als hij, bij een beker champagne?

5

  Eens, ’t was op een duchtig en kluchtig soup:
  Riep de vorst aan ’t dessert: „Eh, v’l une ide!
             O mijn zotskap, mijn Floor,
             Leen mij aanstonds het oor;
Ik zeg u, o puik aller grootkanselieren!
Ik wil al mijn vrindjes met lintjes versieren.

6

  Ik wacht u op morgen bij tijds aan ’t paleis,
  Dan trekken wij fluks met ons tweetjes op reis,
             Naar den Graaf Cantenae
             En den Prins van Pauillac,
Et caetera, ’k zal eerst maar de heeren beschenken
En dan wel mijn domme Kokanjers bedenken.

7

  „Dat niemand het doel van ons toertje verklap’
   Want dan heb ik eer noch pleizier van de grap!
             Floor, we rukken er heen
             Met ons beidjes alleen:
En moge, als de vrienden niet wonder verrast zijn,
Mijn hoogheid geen prins en jou zotheid geen kwast zijn!”

8

  En d’anderen morgen voor dag en dauw,
  – De stad was nog stil en de katjes nog grauw,
             Daar kwam jolig en vlug,
             Met een zak op den rug,
Ons rijkskanseliertje, de bloem aller gekken,
Met aardige deuntjes zijn Majesteit wekken!

9

  Een vloek en een zucht, en de Prins stond gekleed,
  Gepoetst en gespoord tot den aftocht gereed;
             Hij gaf Floor een sigaar
             – Allergruwelijkst zwaar –
En ’t geestigste paar uit het land van Kokanje
Trok heen – na eens stevig ontbijt met champanje.

10

  Maar nauwlijks ziet Floorneef nog stevig en vast,
  Of Sire roept uit: „Wat is dat voor een last?
             Wat behelst, groote mug,
             Toch die zak op je rug?”
„Ik ben kanselier,” – zegt de Nar – „dat zijn lintjes
En kroontjes en kruisjes voor jou en je vrindjes!”

11

  De koning werd nurks, maar hij vond toch per slot
  ’t Ide niet zoo gek en zijn Hofnar vrij zot,
             En het tochtje ging voort,
             Amuzant, ongestoord,
Het zonnetjes scheen, en zij zongen en kusten
De lieve Kokanjesche meisjes met lusten!

12

  Zij naadren de grens al in wilden galop,
  Daar krijscht het opeens: „Stop, je Majesteit, stop!
             En ontdaan en vervaard
             Tuimelt Floor van zijn paard,
En rolt op zijn zak: „Ik heb alles verloren!
Genade, genade voor mij en mijn ooren!”

13

  De koning verschrikte, werd rood en werd bleek:
  – „Wat leelijke zotskap, wat? Spreek of ik steek
             Dezen dolk, domme dwerg,
             Door je been en je merg!....”
– „Och,” snikt hij, „Sint Jozef! hoe kon het gebeuren,
Heeft Sire te–met niet mijn zak hooren scheuren?”

14

  „Om duidlijk te spreken, genadige vorst,
  Die zak, vol met ridders! zoo dapper getorst,
             Hij is leeg – als mijn hand!
             Als de schatkist van ’t land!
We hebben zoo holderdebolder gereden....
Kijk, alles is hier door dit gaatje gegleden.” –

15

  De goedige koning keek donker en zuur,
  Maar hield zich niet goed op den duur bij ’t figuur
             Van den rollende Nar,
             En hoe bitter en bar
In ’t eerst ook zijn vorstlijke stem had geklonken,
Hij had in zijn hart al vergeving geschonken.

16

  – „Mijn Rijkskanselier, zijn uw tranen oprecht?”.....
  „Ze zijn,” snikt de Hofnar, „als paarlen zoo echt.”
             – „Nu rijs op dan, en vlug
             Naar de stad maar terug!
Den zak weer gevuld in het land van Kokanje....
Betaal onderweg voor je straf mijn champanje!”

17

  De reis ondertusschen van ’t hoofd van den staat
  Was lang in Kokanje bekend en bepraat;
             Och, geheimen meestal
             Zijn publiek overal;
Maar meer nog! op markten en straten en wegen,
Alom kwam men lintjes en ordetjes tegen.

18

  Di had het bekoorlijk, verlokkend sieraad
  Gekocht van een Jood of een beedlaar op straat,
             En di vond het op weg
             In een goot of een heg;
Di liep er met drie, di met zes, di met negen;
Een vierde wer had het door vrouwlief gekregen.

19

  Di kreeg het uit achting kadeau van een vrind,
  En di zocht zich blind om een leeuw van een lint;
             ’t Werd besteld en gezocht
             En geruild en verkocht....
De knappen, die ’t vonden, zij lachten en dachten:
Het beste is den afloop van ’t grapje te wachten.

20

  „De koning keert wer!” roept de faam door het land,
  De Riddertjes raken geducht in den brand.
             Maar een oud–advokaat
             Gaf hun eindlijk den raad,
Naar ’s rijks kanselier met de vondst zich te wenden,
Of – franko – ’t kleinood naar de hofstad te zenden.

21

  De koning keert wer, nu bekend en begroet:
  Men joelt op zijn weg en men wuift met den hoed:
             Daar op eens door ’t gemeen
             Dringt een manneke heen,
En legt aan den voet van den vorst van Kokanje
Twee starretjes ner en – een rolletje franje.

22

  En Sire, geroerd door zoo’n eerlijken borst:
  „Voor u!” – roept hij uit – „een geschenk van uw vorst!
             Ho het vrij, goede vrind,
             En blijf steeds wlgezind....
Maar pas is die uitslag, zoo gunstig, vernomen,
Daar krielt het van eerlijke luidjes bij stroomen.

23

  De goedige koning bleef goed en royaal,
  Trakteerde de zaak op een vorstlijke schaal,
             En de rijkskanselier
             Had een gloeiend pleizier,
Men dronk hem ter eer alle dagen champagne
En ’t feest nam geen end in het land van Kokanje.

24

  De wijzen alleen bleven stilletjes thuis
  En hielden zich af van het vroolijk gedruis,
             En zij kermden: „Helaas,
             Zijn de menschen toch dwaas!
Kan de eer, door het toeval ook zotten geschonken,
Het hart van den eerlijken wijsgeer ontvonken!”

25

  Daar leefde – het sprookje schijnt waar op mijn eer –
  Een moedige, goedige koning weleer,
             En op aarde geen rijk
             Eens het zijne gelijk!
Nu ligt alles stil in het land van Kokanje,
Al prijkten er velen met lintjes en franje!

L

  ’k Weet niet hoe mijn poet dit lied ten einde zong,
  Ik weet nog minder hoe de Ridder zich bedwong,
(Tenzij de schrik, ’s mans tong en voet en vuist bleef kluisterenF!f)
En naar ’t ondeugend rijm ten einde toe kon luisteren,
  (Ook, onder ons gezegd, des jonkers schalke zang –
  Ik heb aan ’t versje part noch deel – is veel te lang;
Heet dt een liedje! doch zijn geest was pas gaan bloeien
En vreemd nog in de kunst van schikken, sparen, snoeien!)

LI

  Maar ’k weet, dat zoo op slag het ridderlijke vat
  Nu, als een zwermpot, uit elkander was gespat;
Als hij subiet het een en ’t ander had gekregen
En stikkend in zijn toorn voor eeuwig had gezwegen,
  Of – als duc d’ Alva – in zijn woede ’t ridderkruis –
  Bedenk wat razernij! – vertrappeld had tot gruis,
Als hij den zanger van Kokanje half verscheurd had,
Waarom der Muzen koor zich zeker dood getreurd had:

LII

  Het had mij niemendal verwonderd, maar ’k geloof
  De man was niet recht op de hoogte en ietwat doof.
’t Liep zonder manslag af ten minste, en minder kluchtig;
Hij keek bij elk koeplet steeds meer en meer wraakzuchtig,
  En werd eenvoudig dol op ’t einde.  Raadloos stond
  Hij eerst een heele poos genageld aan den grond;
Verbeet zich, nam een air, een pose, en dekreteerde:
(Terwijl zijn knoopsgat hem gedurig inspireerde)

LIII

  „Gij zijt te nietig voor mijn gramschap, kleine kwast,
  Gij waart mij al sinds lang een gruwel en een last!
Nu is de mate vol, gij zult mij zeer verplichten
Met nooit een wandling meer hier naar mijn huis te richten.”
  Ziedaar een zeer beknopt fatsoenlijk rsum
  Van ’s mans welsprekendheid.  De knaap kreeg zijn cong,
De Ridder kreeg – de koorts, en ijlend zag hij Narren
Die sprongen om zijn hoofd met zulke Ridderstarren!

LIV

  Bezint eer gij begint: de grieve volgt de grap.
  Mijn held kreeg ras berouw van zijn vermeetlen stap.
Ach! had hij nog een poos gestreden en geleden,
Die strijd was thans bekroond met duizend zaligheden!
  Hij schreef den dag daarna een mooien brief; – Mevrouw
  Beloofde voorspraak en zijn meisje bleef hem trouw...
Maar de oude heer kreeg bij zijn naam alleen kongestie,
En wou – als Oostenrijk – niet hooren van amnestie!

LV

  De zachte politiek van de allerliefste vrouw,
  De zuchten van de min, de tranen van ’t berouw
Vermochten niets: hij moest zijn ridderlintje wreken
En wou mijn armen vriend niet hooren, zien of spreken.
  ’t Was nu een jaar gelen; dees kwijnde van verdriet
  En zag in al dien tijd zijn sweetheart bijna niet.
Alleen ’t vertrouwen op haar moeder deed hem leven,
Die als zij d’ arme zag nog altijd hoop bleef geven.

LVI

  Begrijpt gij nu waarom die gouden bracelet
  Den vader zoo in vuur en vlammen had gezet?
’t Kadeau was op zich zelf zoo taamlijk onverstandig,
Maar minnaars, vrienden, zijn ook meestal vrij onhandig
  En zoo lichtvaardig, dwaas, vermetel onbedacht,
  Als ik of mijn verhaal, dat iedren vorm veracht,
En dat mij mettertijd ook wel eens op kon breken
Als ’t, op den keper, door de heeren wordt bekeken...

LVII

  Maar dat ’s van later zorg!  Nu.... is het van Sint–Niklaas,
  En ’k hoor reeds in den gang, dunkt mij, een vreemd geraas,
Iets, als ’t rinkinken van een keten.  „Hij zal ’t wezen,”
Staat in het schichtig oog van ’t jonge volk te lezen.
  Toch houdt zich ieder taai en zucht: „Ik ben niet bang.”
  „Courage!” roept een oom, en ’t Sint–Niklaas gezang
Wordt aangeheven naar de deur, veel lelies op de koontjes.

LVIII

  De drift intusschen van den Ridder is bedaard,
  Schoon hij nog woedend soms naar zeker doosje staart,
Daar ginds apart gezet.  De drukke kinderen krijgen
Allengs weer de overhand, na pijnlijk spannend zwijgen,
  Gevolgd op vaders speech.  Ons meisje houdt zich goed
  En schept in moeders blik haar hoop, haar kracht, haar moed,
En ’k zie de laatste wolk van ’t dierbaar feest verdwijnen,
Nu ’t uur gemaakt waarop de bisschop zal verschijnen.

LIX

  De keten rammelt nog en vreeslijk luidt de bel,
  Een stem bromt in den gang: „Is alles hier nog wel?”
Of zoo iets.  Dan op eens hoort m’ aan de zaaldeur kloppen,
En eensklaps is de grond met krieken, manglen, moppen,
  Bonbons en ulivels bezaaid.  De kleine schaar
  Vliegt henen van de deur en dringt zich bij elkar;
En staat verlegen op de vingertjes te knabbelen,
En durft in d’eersten schrik niet opzien en niet grabbelen.

LX

  De deur slaat open en Sint–Nikolaas treedt in,
  Al grommlend in den baard, die afstroomt van zijn kin:
Een masker voor ’t gelaat – afschuwlijk van kleuren,
En wel geschikt den moed der kleinen.... op te beuren;
  Een mijter op het hoofd, spits als een suikerbrood,
  Een mantel om, de voering buiten, purperrood,
En ruim voor zes, een groenen reiszak in de handen,
’t Land van belofte en zoeten koek en.... slechte tanden.

LXI

  „Schuift, jongens,” – zegt Mevrouw – „bij ’t vuur den zorgstoel aan,
  Want de oude man heeft veel vermoeinis uitgestaan.”
Dan, hoorders volgen al die sprookjes, praatjes, vragen,
Die ge u herinren zult nog uit uw kinderdagen:
  Of daar gezorgd is voor het oude, grauwe paard,
  Waarmee de brave Sint zijn toer maakt over de aard’,
En: u komt z uit Spanje? u zal de kou wel hinderen?
En: heeft u ook een gard? en: houdt u veel van kinderen?

LXII

  Hebt gij op Sint–Niklaas, gij, hooggestropte vriend
  En hoorder, ooit een gard gekregen of verdiend?
’k Vraag dit alleen om u een kompliment te maken:
Men zag de knapste lin toch meest als dwaze snaken
  In ’t lieve leven debuteeren; ja ’t verstand
  Is vaak de rijpe vrucht van de allerwildste plant.
En „o zoo’n achtbaar man, zoo’n knap, lief mensch, zoo’n engel,”
Is meestal opgebloeid uit.... „o zoo’n barren bengel!”

LXIII

  Gij glimlacht niet, hoe nu?  Gij schudt den kreeglen kop!
  Gij mompelt: dat is flauw! wie haalt die dingen op?
’t Komt niet te pas!” – aha, Meneer is ’t al vergeten?
Meneer wil liever van zijn lieve jeugd niet weten;
  Meneer verdiende nooit een gard en steeds een prijs,
  Ja, was als kind en knaap reeds deftig, groot en wijs;
Meneer is nimmer jong en dwaas geweest te voren,
Maar met een rok, een bril, en parapluie geboren!

LXIV

  Zoo zijn er, ja! – enfin, vergeef mijn lossen toon,
  Of geef mij, zoo gij wilt, mijn welverdiende loon:
Zeg eens bijvoorbeeld – om u schrikkelijk te wreken, –
Dat uit mijn keuvlen u zeer duidlijk is bebleken,
  Dat ik de eerwaard School der Ouden snood verliet
  En ver en verder dwaal van ’t klassisch rijksgebied....
Zeg dat er geen geluk is voor dien dwaas te vinden,
Die voor ’t ontbijt zich niet met de Oudheid op kan winden!

LXV

  Bah! zie eens aan, hoe ik van woede nu verbleek:
  Niet dat ik bang ben voor wat laster of een steek:
Maar, voelt ge? een wanbegrip kan mij tot wanhoop jagen,
En ’t is een wanbegrip uit overgrootvars dagen,
  Dat niets klassiek noemt, dan wat oud is, overoud,
  En oudheid en klassiek voor „Siams tweeling” houdt.
O, lieve eenzijdigheid! – ik zweer u, dat klassiek is
Al wat gezond en waar, bevallig, geestig, chiek is.

LXVI

  Die kindren zijn klassiek: zie op! zij scheppen moed,
  En brengen een voor een aan Sint–Niklaas hun groet:
Die zegt een versje op, een ander kent de namen
Der maanden uit zijn hoofd, een derde doet examen
  Een vierde spreekt wat Fransch, een vijfde reciteert,
  Met gestes van papa, een fabel versch geleerd:
En elk, als zijn talent en deugden zijn gebleken,
Mag be zijn handjes in den groenen reiszak steken.

LXVII

  En dat is ook klassiek, hoe diep zoo’n kleine man
  Zijn grijpers in een zak met lekkers domplen kan,
Nadat hij juist zoo pas het ouderhart mocht zalven
Met vrome verskens van Hieronymus van Alphen.
  Hieronymus is hier ’t volmaakste epitheton;
  Zoo juist en schoon als geen Homerus ooit verzon;
Voorts wil ik verder van Van Alphen liever zwijgen....
Om ’t vrouwlijk Nederland niet aan den hals te krijgen.

LXVIII

  En nog klassieker is die knaap, die, hooggekleurd,
  Ginds – bij den schoorsteen – staat te wachten op zijn beurt,
En met een lachje, meer dan Cicero welsprekend,
Zijn mouwtjes stilletjes wat opstroopt, en berekent,
  Of niet zijn kleine hand, die hij zoo schalk bekijkt,
  Meer dan zijn bror, die zich uit den zak verrijkt,
Zou kunnen halen.... schoon hij het tevens aan wil leggen
Dat niet te veel valt op zijn gulzigheid te zeggen.

LXIX

  ’k Voorspel dat uit dien knaap een braaf fatsoenlijk man
  Zal groeien, een die juist zijn voordeel vatten kan,
Maar nooit zijn goeden naam te grabbelen zal gooien....
Die, met verstand, gelaat en houding weet te plooien,
  En eenmaal in den zak der groote maatschappij
  Zal tasten, met beleid, heel netjes en.... heel vrij!
Die.... maar wat druk gejoel en opgewonden zangen,
Die daar op eens ’t verhoor der lieve jeugd vervangen?

LXX

  De bisschop strooit in ’t rond, en ’t jonge volk vergeet
  Zijn laatsten schroom, en schreeuwt en grabbelt zich in ’t zweet.
Kijk, hoe ze rollen, hoe ze grijpen, gluipen, sluipen
En allen te gelijk naar ’t beste hoekje kruipen,
  Met wel een woede, welk een ijver, welk een vuur....
  Ziedaar de maatschappij in mooi miniatuur,
Waar ze ook – gij weet het wel – niet minder grabbelen kunnen,
En, juist als hier, elkar geen mop, geen kriek soms gunnen.

LXXI

  Die ziet een ulivel – een ander eet ’em op.
  Die gooit zijn brortje met een half vertrapten mop
En grist wat beters voor zijn neus weg, daar weer tuimelen
Zij allen over n, n kraakling!.... en verkruimelen
  ’t Begeerde stuk tot niets!  Daar houdt er waarlijk een
  Zijn jonger zusje vast bij ’t vruchtloos worstlend been;
Al verder ziet ge een heer, die op een vruchtbaar plekje
Onopgemerkt en stil geniet met hand en bekje.

LXXII

  Dat zit elkander in den weg en in het haar,
  Dat kribt, dat joelt en woelt, dat kwanselt met elkar,
Als menschen van het vak!  ’t Is hebzucht, woeker, handel,
Drift, ijver, jaloezie om kraakling of amandel,
  Als in de maatschappij om aanzien, geld of eer....
  De kleintjes krijgen iets – de sterken halen meer,
De slimmen pakken ’t in, en – ’t gaat hier zoo beneden! –
Die eindlijk ’t meest bezit, is nog het minst tevreden.

LXXIII

  Zelfs de oude heer heeft pret.  „Wie speelt er dan toch voor?” –
  Zoo fluistert hij, half luid, zijn wederhelft in ’t oor –
– „Kijk, kijk, ik heb pleizier, zoo is ’t de moeite waardig,
Hij doet het naar mijn zin, ’t is waarlijk z heel aardig.”
  Glimlachend zegt Mevrouw: „Ik weet het zelf niet, maar
  Ik denk wel juist, zooals ge weet, verleden jaar....”
Zij blijven verder nog een oogenblikje fluisteren,
Maar ’k zal er enkel uit diskretie niet naar luisteren.

LXXIV

  De reden, waarom onze ridder Sint–Niklaas
  Zoo vreeslijk aardig vond, is ook al vreeslijk dwaas:
’t Was, primo, wijl de man, zijn gansche rol door, gromde,
Voorts, bij veel lievighen, veel zedelessen bromde
  In dezen trant: Zorg dat je groot wordt, kleine vrind!
  Dat zij je vader eens tot eer verstrekt, lief kind;
Wees dankbaar dat je zulk een vader hebt gekregen:
Wees steeds gehoorzaam en – wanneer hij spreekt – gezwegen!

LXXV

  Die taal deed niet alleen het jonge volkje goed,
  Maar ook het vaderlijk en ridderlijk gemoed.
Intusschen, hoorders, daar de liefelijkste zaken –
Helaas, mijn jonkheid ook! – eens aan haar einde raken,
  Het grabblen is gedaan en de onuitputbre bron,
  De groene reiszak vol van zoethen en bonbon,
Is eindlijk leeggestroomd.  Toch zie ’k de kindren smachten
En kijken – of ze nog een kleinigheid verwachten.

LXXVI

  Ik zou haast zweren dat gij ook nog iets verwacht,
  En wou wel weten wat ge er eigenlijk van dacht:
Zegt, waart gij zoo attent bij ’t vlechten van de draden,
Dat gij de ontknooping van ’t verhaaltjen al kunt raden?
  Neen, schalke vrienden, het klinke vrij pedant,
  Maar de afloop, waarlijk, gaat ver boven uw verstand,
En boven ’t mijne!  Ja, de hofnar van Kokanje
Verzon zoo’n zotheid nooit, bij ’t bruisen der champanje.

LXXVII

  De grijze Bisschop richt zijn stramme len
  Nu uit den leunstoel op: „Gij zijt vast heel tevren,
Mijn kindertjes, niet waar?  Ik zal ’t nog beter maken,
’k Heb nog een kleinigheid die wel zoo goed zal smaken,
  Ja! ’k bracht van elk voor u ook een kadeautje mee,
  Dat ’k op mijn reizen kocht, ver over land en zee;
Maar dan is ’t ook gedaan! want ’k moet aan al de hoeken
Van deze groote stad nog lievertjes bezoeken.”

LXXVIII

  Terwijl hij, grommend steeds, die zoete woorden sprak,
  Verscheen voor ’t oog der jeugd een tweede groote zak
Van onder ’t breed gewaad: de vuurge kleintjes stonden
Te happen naar ’t kadeau met open rozenmonden.
  Toen, van den jongste af aan, kreeg ieder een voor een
  Een keurig pakjen uit dien zak der heimlijkhen,
Waarop „van Sint–Niklaas,” of zoo iets, stond geschreven,
En waarvoor elk een hand, een kus moest durven geven.

LXXIX

  Het waren allemaal surprises, wel bedacht
  Door ’t zusterlijk vernuft, licht in een bangen nacht,
Als, peinzende aan den vriend dien ’t lot haar had ontnomen,
Zij heul en balsem zocht voor al te bittre droomen.
  Rijk werd haar moeite door der kindren vreugd beloond,
  Door vruchteloos gezoek en dwaze drift bekroond:
Zij zochten soms zoolang terwijl zij „’t moois” niet vonden,
Als ik, toen ’k pi en x moest zoeken voor mijn zonden!

LXXX

  De zak is nog niet leeg, de klucht niet afgespeeld.
  De grooten worden na de kleintjes nu bedeeld;
Elk krijgt een pakje en wordt verrast, een Oom en Tante,
Een dito – dito; toen.... de Fransche gouverante,
  Van wie ’k tot nu toe zweeg, alleenig voor mijn rust,
  Want, ik verzeker u, ik had haar graag gekust....
Ach! kende zij ’t Hebreeuws, ik zou dat schatje vragen
Mij les te geven in de taal van Abrams magen!

LXXXI

  De beide jongelui van straks, Minerva’s kruis,
  De lieve dochter en de brave vrouw van ’t huis, –
Elk had zijn deel in ’t feest.  Toen, hoorders, bleef ten leste, –
Let op, want ik bewaar voor ’t laatst het allerbesste –
  Toen bleef er in dien zak des heils, die op een stoel
  Geheel was uitgepakt te midden van ’t gejoel,
Nog over – n surprise, een klein, wit, aardig pakje!
Zeer netjes toegemaakt, mijn hoorders met een lakje!

LXXXII

  „En dat ’s nu voor Papa!” zegt Sint–Niklaas, „’k heb de eer
  Op uwer kindren feest, gestreng en edel Heer,
Dit klein bewijs van dank voor ’t lief onthaal, genoten
Van u en de uwen, van de kleinen en de grooten,
  U aan te bin! bewaar ’t in voorspoed en ik vre,
  Versmaad dat kleintje niet, en geef me uw vriendschap mee.”
De stem des Bisschops scheen te trillen onder ’t spreken,
Als schroomde hij in ernst de kennis af te breken!

LXXXIII

  Des Ridders voorhoofd werd beneveld door een wolk,
  Dat hij behandeld werd precies als ’t jonge volk;
Hij vond het eigenlijk heel naar en kinderachtig,
En zulk een wijs van iets te geven vrij omslachtig;
  Hij dacht het ding was een surprise van zijn vrouw,
  En hield zich eerst of hij het straks wel oopnen zou...
Maar kom, hij wil de vreugd van avond niet verstoren,
Het lakje vliegt er af, en – opent thans uw ooren!

LXXXIV

  Ja, opent de ooren! neen, mijn vrienden, stopt ze dicht!
  Vlucht, hoorders, vlucht van hier, verbergen we ons gezicht
Ik heb een ridikuul z gruwelijk te openbaren,
Dat ik nog hier mijn vers, mijn plan, mijn man liet varen,
  Zoo keeren mooglijk was, zoo mijn geheim niet sprong,
  Niet brandde en gloeide en heet op ’t puntje van mijn tong!
Zoo ’k niet mijn groot paskwil ten voeten uit wou teekenen
En met de waarheid en de domheid af moest rekenen!

LXXXV

  En zoo ik nu al zweeg en wierp dit prul in ’t vuur,
  Toch kwam ’t geheimpjen uit en – ter onzaalger uur!
Het baat vorst Midas niet of hij met duizend zorgen
Zijn akelige kwaal geheim houdt en verborgen...
  Wat fluistert daar in ’t veld?  Zoo zouden vroeg of laat,
  Waar onze Held passeert, de keien van de straat,
De winden over ’t plein dien schrikbren kreet doen hooren
Die man is ridikuul, die man heeft ezelsooren!

LXXXVI

  Dies, ’t vonnis is geveld, daar niets den dwaas behoedt;
  Hij worde ridikuul van top tot teen!  Grijpt moed
En luistert!  Als ik ze, de Ridder brak het lakje,
Verscheurde de’ omslag toen en vond – een ander pakje
  Maar op dat pakje een brief, een brief aan zijn adres,
  Met al zijn namen (drie) en al zijn titels (zes),
En op dien brief een lak met een hoogaadlijk wapen,
Dat hij een heele poos verbluft stond aan te gapen.

LXXXVII

  „Die brief, die hand, dat schrift, dat lak, dat wapen, ’t is...
  Het schijnt me, neen, ja toch! ik heb het zeker mis...
Hij kan – is ’t hoop of angst of drift? – met moeite spreken.
Hij durft het aadlijk lak zoo maar niet openbreken
  En vraagt een schaartje – en knipt met sidderende hand
  Het heilig zegel los van d’ een of d’ andren kant!
Hij rolt zijn blik in ’t rond en leest op ieders wezen,
Maar vindt geen antwoord en besluit den brief te lezen.

LXXXVIII

  Een groote stilte daalt en heerscht op ons tooneel;
  Een ieglijk houdt zijn vraag, zijn uitroep in de keel;
De Ridder, door een kring van elastieke nekken
Omgeven, plooit vergeefs zijn gagiteerde trekken.
  Hij schuift ter zijde, alleen, ontvouwt zijn brief, verteert,
  Verslindt dien met zijn oog en – wat den stumper deert:
Stokstijf, bewegingloos, krankzinnig blijft hij staren,
Pal – als de huisvrouw Loth’s, het puik der zoutpilaren!

LXXXIX

  Zijn oog is opgesperd, zijn mond gaapt wijder dan
  Een kostschooljongen voor een biefstuk gapen kan!
Zijn adem stokt, zijn pols houdt halt, zijn edel wezen
Is gansch verbouwereerd: die brief heeft hem belezen.
  Zeg is die man verstomd, geplet door vreugd of rouw?
  Dat weten wij nog niet! of liever gij! maar ’t zou
Te wreed zijn, zoo ’k nog lang thans met uw aandacht spelend,
Bleef draaien om hem heen... ’t Werd ook bepaald vervelend!

XC

  Daar komt beweging in den zoutklomp.  Met zijn hand
  Zich krabblend in zijn pruik: „’t Gaat boven mijn verstand:
Maar ’t is zoo, ’t moet zoo zijn!” – En van zijn vreugd bekomen, –
’t Was vreugd die dus hem trof – terwijl de levensstroomen, –
  Want o hij was verjongd, hij leefde meer dan ooit,
  Meer dan een Bruigom voor zijn jonge Bruid getooid! –
Terwijl dan ’t bloed weer bruist door de’ aardschen tabernakel,
Geeft hij ons, andermaal, een ongezien spektakel.

XCI

  Een straal van vreugde en trots bezielt zijn rond gelaat,
  Hij blinkt en schittert als de jonge Dageraad,
Hij glimt van vreugd.  Hij gaat met lachjes van genoegen
Zich weder in den kring van zijn familie voegen.
  Nu roept van alle zij’ het ongeduld: Wat is ’t?
  Wat was ’t?  Wat zou ’t?  „Ja ja, wie dat eens wist! –
Maar kom, gij zult het zien.”  Hij glimlacht zeer hoovaardig
En vreemd: „Hm! hm! die brief, die was zijn port wel waardig.”

XCII

  – „Komt allen om mij heen!”  Terwijl de Ridder sprak,
  Ontknipte hij met drift het derde en laatste lak
Aan zijn surprise en vindt – een smaakvol vierkant doosje.
„Wie durft dat open doen?”  Zoo vraagt hij, met een bloosje
  Van stomme lievigheid.  „Ik smeek u om die eer,
  Ik die u ’t pakje bracht, ik, hooggestrenge Heer!”
En Sint–Niklaas, dien wij schier uit ’t oog verloren
Door ’t Sint–Niklaasgeschenk, treedt eensklaps weer naar voren.

XCIII

  „Wel ja, dat’s aardig!” – zegt de Ridder – „goed bedacht!
  (Straks hoor ik wel hoe gij het toch hebt meegebracht!”)
Hij keek gedurig naar Mevrouw, als wou hij zeggen:
„Ik weet van u dat gij mij alles uit zult leggen
  – Op ’t oogenblik.”  Nu had de man het veel te druk.
  Hij kon niet denken in den roes van zijn geluk,
Ook herschte er zulk een drift en spanning bij de scharen,
Dat verdre praatjes hier bepaald onmooglijk waren.

XCIV

  De Held staart in het rond met kalme majesteit,
  En ieder is als gij, op alles voorbereid.
En oogenblik, nog en en – ’t doosje is ontsloten....
„H!” roept uit enen mond de kring der huisgenooten,
  H!” roept de Bisschop en blijft stomverwonderd staan;
  H!” valt de Ridder in en valt op ’t doosjen aan....
En o, voor mij, die weet wat ieder „h!” beteekent,
Zijn hoorders, al die „h’s!” hartbreekend en welsprekend.

XCV

  In ’t oog des Ridders welt een groote vreugdetraan;
  Hij ziet zijn vrouw, zijn kroost, zijn knoopsgat teeder aan,
Dan strekt hij de armen uit in theatrale ontroering
En – als een slecht akteur in tragische vervoering –
  „Dees dag – zoo barst hij los – blijft onvergeetlijk schoon!
  „Hoor, ik ben kommandeur! kijk van den Eikekroon!”
En hij drukt alles aan zijn rok, zijn vrouw zijn zoontje,
Zijn dochter, bror, neef, nicht en ’t meest zijn ..... Eikekroontje!

XCVI

  De groote kommandeur zijgt in een armstoel neer,
  Hij was kapot van zooveel vreugde, zooveel eer,
En met zijn dier kleinood nog beter in zijn nopjes
Dan met hun suikergoed mijn blonde kinderkopjes –
  Ik kan met dezen Leeuw nu doen al–wat ik wil,
  Zijn rijkdom maakt hem zacht, zoetsappig, lief en stil,
Hij laat zich eindloos, als een lam feliciteeren....
Ik wil oprechter zijn – ik zal hem kondoleeren.

XCVII

  Toen eindlijk iedereen in ’t breed of in het kort,
  Een oom, bijzonder vol, het hart had uitgestort,
Toen de eerste roes der vreugde een weinig was geweken,
Toen ’t snuisterijtje nog wel twintigmaal bekeken,
  En daar bepaald was dat onmiddelijk de faam,
  Bij monde van vier knechts, den versch gekroonden naam
Des nieuwen kommandeurs aan al zijn riddervrienden
Zou gaan verkonden naar de hoeken der vier winden;

XCVIII

  Toen een der kindren op zijn vingers was getikt,
  Die – heilige onnoozelheid! – aan ’t kruisje had gelikt:
Toen Sint–Niklaas op nieuw zijn recht had laten gelden,
Om ’t kommandeurskruis vast bij ’t ridderlint te spelden
  Op ’s mans doorluchte borst; toen hij een groot kwartier
  Zich zelf bewonderd had met kinderlijk pleizier:
Toen sprak hij nog eens tot zijn vrouw: „’k Word ongeduldig –
Mijn schat!  Gij zijt mij nu een explikatie schuldig.”

XCIX

  ’t Is treffend dat de man, als bij instinkt, zoo wist
  Dat hij te doen had hier met een vrouwelijke list,
En zoo gedwee zich onderwierp: mijn eedle Heeren,
Laat ons dit groot geheim bescheiden respekteeren!
  Een vrouw die zulk een dwaas door fijn verstand regeert,
  Is waardig dat haar wil en wijsheid triumfeert;
Zij liet den man volstrekt niet dansen naar haar pijpen,
Maar wist hem enkel en zijn zwakste zwak te grijpen.

C

  Let op: zij knikt en blikt haar ega vriendlijk aan
  En zegt: „Ik heb misschien uit hartelijkheid misdaan
En – uit – nieuwsgierigheid – maar zoudt gij ’t niet vergeven,
Althans op zulk een dag, den blijdsten van ons leven?” –
  „Welzeker, spreek, mijn schat!”  Och, hoorders, na dien brief
  En ’t pakje annex werd toch de kommandeur zoo lief,
Dat schoon ’k mijn losse tong met honing had bewreven,
Ik al die poezigheid hier moeilijk wer kon geven!

CI

  „Nu dan – herneemt Mevrouw – zeg ik u alles graag!
  Van middag bracht men al dat pakjen .... uit den Haag ....
Gij waart niet thuis.  Het kwam natuurlijk in mijn handen,
De port was hoog; ik keek – ik dacht – ’k voelde ’t branden,
  Hier in mijn vingers – och, ik weet niet wat ik dacht,
  Een pakjen uit den Haag!? en dan zoo’n hooge vracht ....
Ik wist dat gij al lang, niet waar? zoo iets verwachtte,
En had het lakjen al gebroken in gedachte.

CII

  „Enfin, gij vat, de rest hoeft waarlijk niet verklaard,
  Nieuwsgierigheid, helaas, was steeds der vrouwen aard,
Ik heb, gij zijt niet boos, dus eventjes gekeken...
Den brief – dat spreekt van–zelf – mocht ik niet openbreken...
  Maar o! ik wist genoeg en maakte een heerlijk plan:
  Nu weet ik, riep ik uit, hoe ’k hem verrassen kan
Van avond! welk een vreugd!....”  „Ja vrouwlief, ja ’t is aardig!
O ik vergeef het u, ’t ide was uwer waardig!”

CIII

  „Ik was in ’t eerst nog bang dat ge op de societeit
  Gehoord hadt...” –  „Neen, ik wist van niets, mijn lieve meid,
Uw plan is wel geslaagd!”  „Nog niet geheel, mijn beste,”
(Let meisjes, let wel op, het mooiste komt ten leste,
  Het neusje van de zalm.) „Neen waarlijk niet geheel,
  Maar geef dat op dit feest elk in uw vreugde deel,
Dan is mijn plan gelukt! ik heb niets meer te vragen,
En zal u ’t eerekruis met meer pleizier zien dragen.”

CIV

  Zoo sprekend richt zij ’t oog op onzen Sint–Niklaas,
  En neemt hem bij de hand: „Vergeef deez’ armen dwaas
Indien ge mij vergeeft!” –  „Wat zal ik hem vergeven?
Hij heeft charmant gespeeld, ’k zag ’t nooit zoo in mijn leven!” –
  Nogtans de Bisschop, ziet eens aan! zinkt op zijn knie,
  En, hoorders, met een stem, wier zilvren harmonie
Ons meisje van daar straks doet blozen en verbleeken,
Vangt hij bewogen aan te spreken en te smeeken:

CV

  „Herken den boetling dan, die neerzinkt aan uw voet,
  En vraag, neen vraag hem niet, wat gij vergeven moet,
Vergeet een boze grap, die hij in ernst nooit meende,
Die hij met diep berouw in eenzaamheid beweende,
  En schenk hem, op deez’ dag van zegen, roem en eer,
  Uw goede vriendschap en – uw lieve dochter weer...”
Hij slaat zijn mantel op, zijn hoed is afgevallen
En – ’k Zeg niet wie hij is, want gij herkent hem allen!

CVI

  O zie dat rijk tooneel! het teerverliefde kind
  Vliegt aan haar vaders voet in de armen van haar vrind;
De blonde kinderschaar staat lachende verlegen,
Om ’t jonge paartje heen als Engeltjes van zegen;
  De moeder juicht, nu zij een lang verboden waar
  In huis gesmokkeld heeft en zonder ’t minst gevaar;
De minnaar, in ’t gewaad van Sint–Niklaas verscholen,
Had immers door ’t kadeau des vaders hart gestolen?

CVII

  Wat deed de kommandeur?  Wat zou de stumper doen?
  Kon hij zijn hoog pardon nog weigeren met fatsoen?
Twee tantes stonden met haar zakdoek aan haar oogen,
En ieder smeekte en bad in stilte of luid bewogen,
  Hij–zelf, hij was bijna getroffen, in de war,
  ’t Scheen of hij raad vroeg zoo aan de eene of andre star,
En de eerste wrokte nog om ’t liedje van Kokanje,
Maar ’t kommandeurskruis riep: vergifnis en... champagne!

CVIII

  Die tweestrijd duurde een poos.  De spanning rees ten top,
  Men hoorde hier een zucht en daar een harteklop,
Maar eindlijk, door ’t geluk en – door de omstandigheden
Verwonnen, roept hij uit: „Nu ja, ik wil ’t verleden
  Vergeten, dezen dag van roem en vreugd ter eer,
  Ziedaar mijn hand, ziedaar... maak geen „Kokanjes” meer!” –
„Nu is mijn plan gelukt!” – juicht hem zijn gade tegen,
En dankte luid haar man en stil des Hemels zegen!

CIX

  Ik zing de weelde niet van ’t weer verbonden paar,
  Ik zeg niet alles wat zij fluisteren met elkar:
Terwijl haar dankbaar oog bleef op heur moeder staren,
Moest hij het lieve kind nog eens de zaak verklaren:
  Wanneer Mevrouw hem toch haar plan had voorgesteld!
  En wat hij had gedacht?  En wat zij had verteld?
En wie had hem geleerd voor Sint–Niklaas te spelen?
Hij moest van a tot z haar alles mededeelen.

CX

  De gouden bracelet werd uit den donkren hoek,
  Waar ze eerst verbannen was door barschen vadervloek,
In eer hersteld.  Hij zelf haakt nu het huwelijksbandje
Vast om haar arm, en kust het hem geschonken handje,
  En stamelt: „God and you!” aan t’ harte van zijn bruid...
  „En onze moeder!” – roept het lieve meisjen uit –
„Wier trouw en wier vernuft deze uitkomst ons bereidde,
En die een Engel was, een Engel voor ons beide!”

CXI

  O vrouwelijk vernuft, zoo onuitputlijk rijk,
  Zoo geestig en gevat, geen wijsheid u gelijk!
Ook ik geloof, men had zoo’n zotheid niet bedreven,
Had men des Ridders kruis aan ’s Ridders vrouw gegeven!
  ’t „Virtus nobilitat!” zou dan geen parodie,
  Geen laster zijn geweest van wijsheid en genie...
En schoon al menigeen die stelling mij betwist heeft,
Ik ho nog altijd vol dat men zich hier vergist heeft!

CXII

  Wanneer toch, vraagt ge in ’t end, had onze domme vriend
  De kroon der burgerdeugd verworven of verdiend? –
Helaas, de schijn bedriegt de kleinen en de grooten,
En, schoon de waarheid hier den schijn heeft uitgesloten,
  De man had aanzien, geld en poids; een domme faam
  Of een gedienstig vriend verkondde ver zijn naam,
Men had misschien gehoord dat hij een heele baas was....
’k Wil toch niet denken dat het voor zijn Sint–Niklaas was!

CXIII

  De kommandeur, vermoeid, kapot van al die pret,
  Sliep wel dien nacht niet veel, maar ging toch vroeg naar bed.
Ik laat den stumper zich hier vreedzaam retireeren
En wil hem liefst niet in zijn.... droomen poursiveeren.
  Schoon hij den aftocht blies, ging ’t feest beneden voort,
  Men kuste, lachte en sprak en schaterde ongestoord,
Mevrouw gaf aan ’t soup een fijne flesch... champagne,
En – niemand dacht meer aan het liedje van Kokanje!

CXIV

  Heb ik nu lang genoeg met dezen dwaas gespot,
  De zoute scherts bekroon, zoo ’t mag, een gulden slot!
Want, schoon ik nimmermeer met ’s werelds schijn zal dwepen,
Toch, vrienden, wordt ik liefst ook niet verkeerd begrepen:
  Dus luistert, eer gij licht den armen dichter vloekt,
  Die voor zijn ergernis bij u verluchting zoekt,
Die graag aan zotten geeft wat zotten is verschuldigd,
Maar naast de waarheid liefst de ware grootheid huldigt.

CXV

  En dies, o sprekend beeld van Neerlands glorie–eeuw,
  Eerwaardig ridderkruis van onzer vaadren Leeuw,
Gegroet op ’t ridderhart vol eedlen gloed, vol zaden
Van licht en vrijheid van van mannelijke daden!
  Gegroet op de eedle borst waardoor Gods adem ruischt,
  Die van welsprekendheid of reine zangen bruist;
Gegroet op de uwe, o trouwe kunstnaar, die de renten
Uw tijd, uw volk betaalt met godlijken talenten!

CXVI

  ’k Heb lief dat eermetaal op ’t onverschrokken hart
  Des jongen helds, die ’t kocht met moed, met bloed, met smart!
En op de brave borst der burgers, die hun leven,
Hun rust of hun fortuin, hun land ten beste geven,
  En op het wambuis van den zoon der Industrie....
  Waar maar een harte klopt, een vonk gloeit van genie!
O, Vorsten! wat noch goud noch zilver kan betalen,
Doe uw verlichte gunst uw volk in de oogen stralen!

CXVII

  Maar als in de eeuw des lichts Cotin en Trissotin,
  Vadius, Prullius, Quibus, George Dandin,
Harpagon, Pourceaugnac, le marquis Mascarille,
Le bourgeois Gentilhomme et les sots en famille,
  Tartuffe en Don Juan en weet ik wie of wat,
  Trots de elsten, me verkondt: Virtus nobilitat!
Dan ....  dan trilt in ’t graf Molire’s „kil gebeente”
En draait zich rammlend om in ’t verre lijkgesteente!

CXVIII

  Dan zou men schreien, neen, maar lachen, lachen dat
  Het als een donder klonk door deze dwaze stad,
Dan, dan vergeet een knaap zijn achttien jonge jaren
Zijn onbezorgd geluk, zijn vriendelijke snaren,
  Dan grijp ik, (want helaas, geen wijzer kwam mij voor)
  Een groot karikatuur bij ’t ellang ezelsoor,
En zeg hem in ’t gezich dat Nerlands echte zonen
Niet buigen, nu noch ooit, voor zulke lauwerkronen!

CXIX

  Helaas, ik zeg misschien de waarheid – als een kind!
  Maar ’k ben Goddank zo dom, zoo ijdel niet, zoo blind,
Dat ’k ooit een eenig mensch zal om zijn knoopsgat eeren:
Doch lust het u, als mij, de kwestie om te keeren,
  En vraagt gij: of ik, om een groot en eerlijk man,
  ’t Bewijs van adel, zij ’t een lintjen, eeren kan?
Dan scheiden wij in vrede, en, hoorders, wat verander’,
Ziedaar mijn rechte hand, want wij verstaan elkander.


1849

[Genestet pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.