Als ik een jonge slaaf van de oude Maatschappij En ons charmant verkeer gehoorzaam aan de wetten En wat men plicht noemt en fatsoen en etiketten, Mijzelven treiter, en een avondje, een partij Met twintig andren mee moet rekken en bederven, Waar mij mijn liefste vriend, in feestgewaad, verveelt, Als ik wou heengaan of wou slapen of wou sterven, En eindlijk om het niet voor eeuwig te verkerven Mijn blijde trekken plooi of t in mijn kiezen scheelt; Dan denk ik dikwijls, om mijn geestje te verteden, Aan de oude feestjes op het dierbaar Muiderslot: Aan d ouderwetschen zang, de minnelijke zeden, Gezegend en bemind bij onzer vaadren God! Aan t geestig lied van Hooft en de Italjaansche wijnen, Die vloeiden langs den disch; aan Tesselades knie, Die bij t verliefde vuur van s Drossaarts poëzie Barlaeus zachtkens stiet, wiens blijde minnepijnen Ontwaakten, joliger dan ooit, daar t achtbaar hoofd Van Vondel lustig schudde en hij het geurig ooft Die pruimpjes, waarvan Hooft aan Tessel heeft geschreven, Dat zij verlangden naar heur frisschen rozenmond En riepen in den hof: ei pluk ons, kom terstond! Daar hij de zoete fruit haar lachend aan mocht geven. Ik zie haar muiltjes onder tafel, naar de maat Van t lustig watertjen al tripplen op en neder, Daar Huyghens vast bepeinst of Tessels oog zoo teeder Als geestig schittert in t verstandig gelaat. Hoor! Roemer roemt den wijn zoo kostlijk als de zangen, En fijn gelijk de scherts, die al de spijzen kruidt; En ieder heeft de kleur der blijdschap op de wangen, Elk bracht zijn liedje mee, zijn liefjen en zijn luitf! Daar schuift de schalke Drost het hooge venster open, En klaagt, dat hem de herfst, geen nachtegalen zond In t heerlijk woud, bij zulk een avondstond, En ziet zijn Tesseltje aan, vol scherts en liefde en hopen; t Is of zijn oog haar smeekt, of zij den nachtegaal Niet wil vervangen in zijn feestelijke zaal. Zij, die met de engelen verdient partij te zingen! En zij begrijpt hem. Eerst als t koeltje van den nacht Vloeit noot op noot haar van de lippen balsemzacht; Straks maakt zij u beschaamd, o zanger der seringen, Zoo hoogwelluidend stijgt haar vriendlijk lied, zoo zoet En teeder, als uw jongste, uw schoonste lentegroet; Vos hoort den weerklank van Ausoonjes veldschalmeien: Barlaeus meent zich op d Olympus, bij de goôn En vader Vondel, in verrukking van dien toon, Denkt aan zijn Paradijs en dicht zijn engelenreien! En ik... ontwaak uit zulk een droom! Weer zwerft mijn oog De stijve rijen langs der vakerige vrinden; Ik kan geen lief gelaat of levend oog meer vinden, En sla, in wanhoop schier, mijn blikken naar omhoog.... Wie, Jonkers! zal ons met een lied van Hooft verrassen? Wie, Dames, wie van u zou Tessels muiltje passen?
Augustus 1849
[Naschrift] [Genestet pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.