Speelgoed van mijn kinderjaren, k Vraag u niet wanhopig weer: k Hield nog enkle wilde haren Van mijn zorgeloos weleer, En, bij t rijpen van mijn leven, Heeft des Hemels trouwe gunst Hooger rijkdom mij gegeven: Droomen, zangen, liefde en kunst! Ik heb meisjes om te stoeien, Voor de vlinders van t terras! Andre kijkers die mij boeien, Dan t geslepen tooverglas! k Heb voor vliegers luchtkasteelen, Drijvende in den zomerglans; Voor mijn drukke kinderspelen, Tonenspel en notendans! Ik weet zoeter, dwazer zangen, Dan der sprookjes poëzij; Vroeger kon ik musschen vangen, En nu duifjes, blank en blij; k Heb een handvol mirteblaêren, Voor amandel en rozijn, En op mijn vervlogen jaren Drink ik met den ouden wijn! k Wandel met een lied door t leven, Blij als t kind aan moeders hand Kennis, door uw rijke dreven, Kunst, door uw gelukkig land! k Heb een wereld voor mijn spelen, En vermoeid van spel en lust, Of van menschen die krakeelen, Ook een Hemel voor mijn rust.
1849
[Genestet pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.