Speelgoed van mijn kinderjaren

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

Speelgoed van mijn kinderjaren,
  ’k Vraag u niet wanhopig weer:
’k Hield nog enkle wilde haren
  Van mijn zorgeloos weleer,
En, bij ’t rijpen van mijn leven,
  Heeft des Hemels trouwe gunst
Hooger rijkdom mij gegeven:
  Droomen, zangen, liefde en kunst!

Ik heb meisjes om te stoeien,
  Voor de vlinders van ’t terras!
Andre kijkers die mij boeien,
  Dan ’t geslepen tooverglas!
’k Heb voor vliegers luchtkasteelen,
  Drijvende in den zomerglans;
Voor mijn drukke kinderspelen,
  Tonenspel en notendans!

Ik weet zoeter, dwazer zangen,
  Dan der sprookjes poëzij;
Vroeger kon ik musschen vangen,
  En nu – duifjes, blank en blij;
’k Heb een handvol mirteblaêren,
  Voor amandel en rozijn,
En op mijn vervlogen jaren
  Drink ik met den ouden wijn!

’k Wandel met een lied door ’t leven,
  Blij als ’t kind aan moeders hand –
Kennis, door uw rijke dreven,
  Kunst, door uw gelukkig land!
’k Heb een wereld voor mijn spelen,
  En vermoeid van spel en lust,
Of van menschen die krakeelen,
  Ook een Hemel voor mijn rust.


1849

[Genestet pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.