Ik zag een starre schittren, Maar t was niet aan den trans; t Was in twee dierbre oogen, Een starretje vol glans. t Betooverde en bezielde Mijn hart, mijn geest, mijn jeugd, t Spreidde in mijn blijde woning Gods licht en vrede en vreugd. Het blonk op al mijn wegen Zoo vriendelijk en zoo zacht, Een zonnetje van zegen, Te morgen en te nacht. Het blonk van heilge liefde Voor zooveel goeds en groots; Het scheen een licht des levens, Maar t bleek een boô des doods! Dat was het Teringstarretje Beware u Gods genaę, Dat gij het nooit ziet schittren In t oog van kind of gaę!
1854
[Genestet pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.