Uit het studentenleven

Een liedje aan een jong student

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

  Gegroet, o lievling van mijn zang,
  O jong en jolig wezen!
Al duurt uw zoete droom niet lang,
  Gegroet en luid geprezen!
O lust en eere van uw stand,
  Lang blijve uw jeugd floreeren:
Gij zijt zoo gloeiend amuzant,
  Lang moogt ge u amuzeeren!

Mij is geen naam, geen rang bekend
  Zoo edel, zoo verheven,
Zoo schoon als de uwe, o jong student,
  Die fladdert in het leven!
’k Heb eerbied voor den blijden soes,
  Wat anderen ook preeken,
’k Heb eerbied voor den vrijen roes,
  Van dezen – uw beste weken!

De jeugd zij als een korenveld,
  Verruklijk schoon voor de oogen,
Dat joelt en woelt en bruist en zwelt
  Door d’ochtendwind bewogen!
Staan eens die wilde velden kalm,
  Bij schoven saamgebonden,
Dan wordt aan iedren gouden halm
  Een rijke vrucht gevonden!

Die nimmer dwaas was in zijn jeugd,
  Wordt nimmer recht verstandig,
Een fiksche jeugd – baart mannendeugd,
  Maakt handelbaar en handig.
’k Vertrouw die wijze jongens niet
  Van achttien, twintig jaren –
Uw wijsheid is een gloeiend lied,
  Een pet op zeven haren!

Laat vrij de blonde, zijden snor
  Om rozenlippen bloeien;
Schreeuw nog uw keer aan Iö’s schor
  En laat champagne vloeien!
Tier – zoo ’t uw borst verruimen kan; –
  Maar schuldloos en – met gratie!
Scheld aan ’t biljart den stommen Jan,
  Maar schelt met variatie!

Speel homber als een oude rot,
  Stop delicieuze ballen,
Moog tusschenbeide een mooie pot
  Uw kunst ten deele vallen!
Maar zoek het liefst uw zoetste feest
  Bij zoute konversatie,
Toon daar uw opgewonden geest
  En tintelende facie!

Leer ons hoe gij uw blauwe pet
  (Een pet van achttien jaren!)
Zoo onnavolgbaar, zoo koket,
  Gooit om uw bruine haren!
Als vond ook zij de vreugde zoet,
  Als kreeg zij geest en leven;
Ik zal een nieuwen zijden hoed
  Voor dat geheim uw geven!

Nog niet, vooreerst, dien schalken kop
  In boekenstof verborgen;
Blijf frisscher dan de rozeknop
  En jonger dan de Morgen!
Laat steeds de Graties in haar gunst
  Uw pad met goud bestrooien,
En met een onnavolgbre kunst
  Uw almaviva plooien!

Blijf jong en wild en woest en rond;
  O, dat die lustige oogen
Altijd zoo helder, zoo gezond,
  Zoo edel gloeien mogen!
Vlieg, jonge vlinder, naar uw zin,
  Laat niets uw vlucht beperken,
En – vlieg toch eens het leven in,
  Nog stofgoud op de vlerken!

Die wensch zij ijdel als de droom
  Van ’t jong studentenleven,
Op! toch genoten zonder schroom,
  In deze tooverdreven!
Een wensch tot slot, een warme beę:
  Al schreeuwt ge niet, – blijf zingen,
Klink altijd mee – wordt nooit blazé
  En doe geen domme dingen.


Nov. 1849

[Genestet pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.