Uit het studentenleven

III  De humorist

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

Horrible, horrible, most horrible

Eenmaal had ik zeven vrinden,
  Bloemen in mijn levensgaard,
Die ik tot een krans mocht binden
  Om mijn hoofd en om mijn haard.
Luister, en, van één tot zeven,
  Zeg ik in een bondig lied,
Waar zij allen zijn gebleven,
  Want ik had – maar heb ze niet.

De eerste, een knaap met blonde lokken
  En een vriendelijk gemoed,
Is naar ’t verre land vertrokken,
  Hij is heen en heen voor goed.
Op zijn beeltnis blijf ik staren
  En ik weef een lang gedicht:
Door mijn droomen komt hij waren,
  Met een vreemd en bruin gezicht.

Nommer Twee liet zijn getrouwen
  Loopen voor een kleine meid,
Die hem strengen op leert houên,
  Smelten doet van zaligheid.
’t Was een fiere, forsche jongen,
  Die altijd mijn poken brak;
Onbedwingbaar, nu bedwongen,
  Door een zachte vrouweplak!

Nommer Drie, wien ik het leven
  Zoo vol gratie en talent
Door zag fladderen, zingen, zweven,
  Half een vlinder, half student,
Zijn Eerwaarde zakte op klompen
  In een kleigrond, zes voet diep,
En tracht d’Urmensch in te pompen
  Wie dan toch de wereld schiep!....

Nommer Vier werd ongenietbaar;
  ’t Is een pure filoloog!
’t Is een Graecus, ’t is een Piet – maar
  Ongelooflijk dom en droog.
’k Moest den Vijfde laten glijden,
  Daar ’k met hem mijn rust verloor,
Want op ongelegen tijden
  Las hij me altijd verzen voor.

En de Zesde, jong bedorven –
  Zwakke ziel en groote geest –
Is, mijn ziele schreit – gestorven!
  Maar een ander zegt, gesjeesd.
Mocht hij voor een vriend herleven,
  ’k Zou hem in mijn dankbaar hart
’t Liefste plekje wedergeven,
  Heilig door een lange smart.

Maar u kan ik zien noch luchten,
  Diepst gezonken Simia!
Al uw zeemlen, al uw zuchten,
  Al uw doen is laria,
Ieder zuchtje is een Judas,
  Ieder glimlach is een list....
O mijn help! ik merk het nu pas,
  Ach, de vent werd humorist!


1850

[Genestet pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.