Et nos! we hebben hier zoo iets, Een burg, een Athenaeum, Als t binnen kort in duigen stort, Zing ik een klein Te Deum! Het is een wit gepleisterd graf, Behangen met portretten, Die soms bij t Amsterdamsch latijn Verschriklijke oogen zetten! t Is opgelapt en opgeknapt, Eén wrak, één reparatie! t Is opgeflikt en opgeschikt, En staat nog bij de gratie. Het is een afgeleefde best, Vol pleisters en op krukken, En toch een mannentreitrend nest, Vol onuitstaanbre nukken! Ik heb een hekel aan die kast Dat huichelend gebouwtje, Het is me een levende ergenis, Een gansch venijnig ouwtje! En toch, mijn ziel miskent u niet, Eerwaarden en Geleerden! Wier zorgen met meer smaak dan geld Ons kastje restaureerden. Voor wie het opneemt (met zijn neus) Is t zaaltje vrij behaaglijk; Voor mij ik heb het al gezegd Voor mij is t onverdraaglijk! Ad rem! een lang weerhouden lied Moog trillen door dit krotje, Het is een ronde dichtervloek, Geslingerd tegen t Schotje! Dat Schotjen in de breede bank, De bank der Hooggeleerden, Die eenmaal allen (een voor een) In diesem Halle oreerden! Die nu met togas of met roem De breede bank bezetten, Wanneer hun evenmensch oreert Naar oude saaie wetten! Dat Schotjen in de breede bank, De bank der Hooggeleerden, Die in dit hol zich juist als ik, Soms gruwlijk embêteerden! Dat Schotjen, dat de bank verdeelt Potsierlijk in twee hokken.... Zou t eene voor de schapen zijn, En t ander voor de bokken? Dat weet ik niet, maar wat ik weet, Bij elk oratiejooltje Dan heb ik rust in voet noch vuist, Ik zit als op een kooltje! Maar wat ik weet, dat zeg ik luid, Dat zeg ik zonder schromen: Kastanjes moeten eenmaal uit Het smeulend vuur genomen! t Is Feest: kijk op, daar naakt de rei Der breede Professoren, Zij nemen plaats in t groote hok En spitsen klassische ooren! De orator klautert in de Broek En soest er zeer genottelijk. t Jus Pilei verblijdt zijn hart Al kleedt zoon steek bespottelijk! Wat toeft ge, o Seminarietrits? Ei, zet u bij de vrinden?.... Hoe nu? de bank is opgepropt, Er is geen plaats te vinden? Men sluit hun t deurtje voor den neus, Men laat hen opmarcheeren. Adieu, kollegas! hier is t uit Met ons fraternizeeren! Men sluit u t deurtje voor den neus, Gij hoort niet bij die heeren! Wat meent gij? die Illustre School Zou zich enkanailleeren? O wee! o nonsens, o ellend! O tijden, menschen, zeden! O Schotje, dat de broedren scheidt! O gruwlen van t voorleden! O Schotjen, aaklig overschot Van langgestorven veeten, Van broedertwist, van broederhaat! Vervolging van t geweten! Gerechte hemel! ziet gij t aan? Daar sluit men op een plokje. Als halve ketters bij elkaêr, Apart in t kleine hokje! Een Lutheraan, een Remonstrant, Twee eerlijke Menisten, Die worden achter t schot gezet, Als waren t antichristen! Den Lutheraan, den Remonstrant, Bij zulk een feestgenotje, Die schuift en dringt men op elkaêr, Als uitschot achter t Schotje! De Lutheraan et caeteri, Dat zijn toch brave kerels: En, Athenaeum! aan uw kroon Zeer schitterende perels! De Remonstrant et caeteri, Die moeten u geneeren! En hier alleen, hier durft, hier mag Zoon Schotje hen geneeren! Toch heeft onze eeuw zoo menig muur Als Jericho zien vallen, Zoo menig breeden dam geslecht En ontoegangbre wallen! Zoo menig hooge toren viel Als Babylon in gruizelen, Ik zag de wijzen overbluft, En starre hoofden duizelen! Maar, trots de schokken onzes tijds, Dat triomfante Schotje Maakt met partijgeest en behoud Een gruwelijk komplotje! Al is t een gruwel in ons oog, Wat namen wij nog dragen, Al kan dat onverwrikbaar ding Geen Christenziel behagen: Al werd het zesmaal ridikuul, Sinds ééntjen o die stoutert! Met vluggen, vrijen, fieren moed, Er over is geklauterd: Het staat, het scheidt en scheurt, ten schand Van waarheid en verlichting! Dat Schotjen is een formulier, Dat Schotjen is een richting! Het heeft een kop, het heeft een ziel, Staat, vrinden, niet verwonderd! Ja, in dat Schotje huist een ziel, De geest van zestienhonderd! Een schalke Dordtsche grootpiepa Zit in dat schot verstoken, Die bij zijn leven tien uur ver De ketters heeft geroken! Hij klemt de rotte planken vast Van t waggelende muurtje, Dat haast bij s mans papieren dam Moog knettren op mijn vuurtje! Tot hiertoe en niet verder! grijnst Het zieltjen in die planken. Gij Heeren heb één geest misschien, Maar ik heb hier twee banken! Bezoek te grauwen middernacht Dat spokende gebouwtje, Dan hoort ge een bitsen hamerslag: Dat is mijn timmrend ouwtje! Hij timmert losse spijkers vast Met wee en preektoongalmen; Hij bromt en blaast: verdragen!! wat! En knarsetandt in psalmen! O timmer, onverzoenbre geest, Ras brengt een vroolijk standje U s nachts een heuchelijk bezoek, En helpt temet een handje! Wij komen, ja! wij komen, hoor! Met fakkels en flambouwen, Met feestwijn en triumfmuziek En handen uit de mouwen! Wij stroomen allen samen tot Een monsterkonvokatie, En trappen t Schotje krak! ineen Met vreeselijke staatsie! Iö vivat, Iö vivat, Zal door t gewelfje schallen, En krakend bij den laatsten toon Zal t laatste Schotjen vallen! Dan wordt die ketter onzer eeuw In vuur en vlam begraven, En t Athenaeum floreat! Stroomt uit de borst der braven!
Zoo nu wie t aangaat, grijnzend lacht En laakt die kromme sprongen.... Wel, dat men t Schotjen overgeev Aan deersten krullenjongen! Ja, k raad u, laat, met stille trom, Dat haatlijk Schotje sloopen, En zet die laatste, lafste sluis Voor liefde en eenheid open! Maar is t oon weer een uitgaaf, die Met moeite wordt bedropen.... Ik zal de schoft betalen, ja, En ik wil t Schotje koopen. Ik wil het als een rariteit Mijn leven lang bewaren: Een staaltje van humanen geest, Na zooveel honderd jaren! En t zieltjen? Och, dat zieltje zal Bij mij geen kwaad meer brouwen, Met primo Mei verhuist hij weer.... Bij mij is t niet uit te houên.
1850
[Achtergrond van het Schotje] [Genestet pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.