Uit het studentenleven

Het schotje

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

[Achtergrond van het Schotje]

Et nos! we hebben hier zoo iets,
  Een burg, een Athenaeum,
Als ’t binnen kort in duigen stort,
  Zing ik een klein Te Deum!

Het is een wit gepleisterd graf,
  Behangen met portretten,
Die soms bij ’t Amsterdamsch latijn
  Verschriklijke oogen zetten!

’t Is opgelapt en opgeknapt,
  Eén wrak, één reparatie!
’t Is opgeflikt en opgeschikt,
  En staat nog – bij de gratie.

Het is een afgeleefde best,
  Vol pleisters en op krukken,
En toch – een mannentreitrend nest,
  Vol onuitstaanbre nukken!

Ik heb een hekel aan die kast
  Dat huichelend gebouwtje,
Het is me een levende ergenis,
  Een „gansch venijnig ouwtje!”

En toch, mijn ziel miskent u niet,
  Eerwaarden en Geleerden!
Wier zorgen met meer smaak dan geld
  Ons kastje restaureerden.

Voor wie het opneemt (met zijn neus)
  Is ’t zaaltje vrij behaaglijk;
Voor mij – ik heb het al gezegd –
  Voor mij is ’t onverdraaglijk!

Ad rem! een lang weerhouden lied
  Moog trillen door dit krotje,
Het is een ronde dichtervloek,
  Geslingerd tegen ’t Schotje!

Dat Schotjen in de breede bank,
  De bank der Hooggeleerden,
Die eenmaal allen (een voor een)
  In diesem Halle oreerden!

Die nu met toga’s of met roem
  De breede bank bezetten,
Wanneer hun evenmensch oreert
  Naar oude saaie wetten!

Dat Schotjen in de breede bank,
  De bank der Hooggeleerden,
Die in dit hol zich – juist als ik, –
  Soms gruwlijk embêteerden!

Dat Schotjen, dat de bank verdeelt
  Potsierlijk in twee hokken....
Zou ’t eene voor de schapen zijn,
  En ’t ander voor de bokken?

Dat weet ik niet, maar wat ik weet,
  Bij elk oratie–jooltje
Dan heb ik rust in voet noch vuist,
  Ik zit – als op een kooltje!

Maar wat ik weet, dat zeg ik luid,
  Dat zeg ik zonder schromen:
Kastanjes moeten eenmaal uit
  Het smeulend vuur genomen!

’t Is Feest: kijk op, daar naakt de rei
  Der breede Professoren,
Zij nemen plaats in ’t groote hok
  En spitsen klassische ooren!

De orator klautert in de Broek
  En soest er zeer genottelijk.
’t Jus Pilei verblijdt zijn hart –
  Al kleedt zoo’n steek bespottelijk!

Wat toeft ge, o Seminarie–trits?
  Ei, zet u bij de vrinden?....
Hoe nu? de bank is opgepropt,
  Er is geen plaats te vinden? – –

Men sluit hun ’t deurtje voor den neus,
  Men laat hen opmarcheeren.
Adieu, kollega’s! hier is ’t uit
  Met ons fraternizeeren!

Men sluit u ’t deurtje voor den neus,
  Gij hoort niet bij die heeren!
Wat meent gij?  die Illustre School
  Zou zich – – enkanailleeren?

O wee! o non–sens, o ellend!
  O tijden, menschen, zeden!
O Schotje, dat de broedren scheidt!
  O gruwlen van ’t voorleden!

O Schotjen, aaklig overschot
  Van langgestorven veeten,
Van broedertwist, van broederhaat!
  Vervolging van ’t geweten!

Gerechte hemel! ziet gij ’t aan?
  Daar sluit men op een plokje.
Als halve ketters bij elkaêr,
  Apart in ’t kleine hokje!

Een Lutheraan, een Remonstrant,
  Twee eerlijke Menisten,
Die worden achter ’t schot gezet,
  Als waren ’t antichristen!

Den Lutheraan, den Remonstrant,
  Bij zulk een feestgenotje,
Die schuift en dringt men op elkaêr,
  Als uitschot – achter ’t Schotje!

De Lutheraan et caeteri,
  Dat zijn toch brave kerels:
En, Athenaeum! aan uw kroon
  Zeer schitterende perels! –

De Remonstrant et caeteri,
  Die moeten u geneeren!
En hier alleen, hier durft, hier mag
  Zoo’n Schotje hen geneeren!

Toch heeft onze eeuw zoo menig muur
  Als Jericho zien vallen,
Zoo menig breeden dam geslecht
  En ontoegangbre wallen!

Zoo menig hooge toren viel
  Als Babylon in gruizelen,
Ik zag de wijzen overbluft,
  En starre hoofden duizelen!

Maar, trots de schokken onzes tijds,
  Dat triomfante Schotje
Maakt met partijgeest en behoud
  Een gruwelijk komplotje!

Al is ’t een gruwel in ons oog,
  Wat namen wij nog dragen,
Al kan dat onverwrikbaar ding
  Geen Christenziel behagen:

Al werd het zesmaal ridikuul,
  Sinds ééntjen – o die stoutert! –
Met vluggen, vrijen, fieren moed,
  Er over is geklauterd: –

Het staat, het scheidt en scheurt, ten schand
  Van waarheid en verlichting!
Dat Schotjen is – een formulier,
  Dat Schotjen is – een richting!

Het heeft een kop, het heeft een ziel,
  Staat, vrinden, niet verwonderd!
Ja, in dat Schotje huist een ziel,
  De geest van zestienhonderd!

Een schalke Dordtsche grootpiepa
  Zit in dat schot verstoken,
Die bij zijn leven tien uur ver
  De ketters heeft geroken!

Hij klemt de rotte planken vast
  Van ’t waggelende muurtje,
Dat haast bij ’s mans papieren dam
  Moog knettren op mijn vuurtje!

„Tot hiertoe en niet verder!” grijnst
  Het zieltjen in die planken.
Gij Heeren heb één geest misschien,
  Maar ik heb hier – twee banken!

Bezoek te grauwen middernacht
  Dat spokende gebouwtje,
Dan hoort ge een bitsen hamerslag:
  Dat is mijn timmrend ouwtje!

Hij timmert losse spijkers vast
  Met wee– en preektoon–galmen;
Hij bromt en blaast: verdragen!! wat!
  En knarsetandt in psalmen!

O timmer, onverzoenbre geest,
  Ras brengt een vroolijk standje
U ’s nachts een heuchelijk bezoek,
  En helpt – temet – een handje!

Wij komen, ja! wij komen, hoor!
  Met fakkels en flambouwen,
Met feestwijn en triumfmuziek
  En handen uit de mouwen!

Wij stroomen allen samen tot
  Een monsterkonvokatie,
En trappen ’t Schotje – krak! – ineen
  Met vreeselijke staatsie!

Iö vivat, Iö vivat,
  Zal door ’t gewelfje schallen,
En krakend bij den laatsten toon
  Zal ’t laatste Schotjen vallen!

Dan wordt die „ketter onzer eeuw”
  In vuur en vlam begraven,
En ’t „Athenaeum floreat!”
  Stroomt uit de borst der braven!

Zoo nu wie ’t aangaat, grijnzend lacht
  En laakt die kromme sprongen....
Wel, dat men ’t Schotjen overgeev’
  Aan d’eersten krullenjongen!

Ja, ’k raad u, laat, met stille trom,
  Dat haatlijk Schotje sloopen,
En zet die laatste, lafste sluis
  Voor liefde en eenheid open!

Maar is ’t oon weer een uitgaaf, die
  Met moeite wordt bedropen....
Ik zal de „schoft” betalen, ja,
  En ik wil ’t Schotje koopen.

Ik wil het als een rariteit
  Mijn leven lang bewaren:
Een staaltje van humanen geest,
  Na zooveel honderd jaren!

En ’t zieltjen? Och, dat zieltje zal
  Bij mij geen kwaad meer brouwen,
Met primo Mei verhuist hij weer....
  Bij mij is ’t niet uit te houên.


1850

[Achtergrond van het Schotje] [Genestet pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.