Mme DE LA VALLIÈRE

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

Cette petitc violette, qui ne cachait sous l’herbe, et qui était honteuse d’être maîtresse, d’être mère, d’être duchesse jamais il n’y en aura sur ce moule.
Madame DE SÉVIGNÉ
   O, Gij verdiende een beter deel
Dan, in het drama van dit leven,
   U op haar schitterendst tooneel
Een schoone wereld heeft gegeven !
   Een beter deel, een reiner lot
   Al beidden glorie en genot
U in haar rijkste tooverdreven;
   Al schalde een tijdlang van uw lof
   Europe’s glansrijkst koningshof
Het hof van riddren en genieën,
   Die – wijzer nageslacht ten spot –
   Uw jongen Minnaar, als hun God,
Aanbaden met gebogen knieën;
   Al tuigden van uw zedig schoon
   Der kunstnaars kunst, der dichtren toon,
En ’t valsch benijdend hofgefluister!
O zachte maagd en – eedle vrouw,
   Uw hart vol ootmoed, liefde en trouw,
(Te goed, te rein voor zulk een luister)
   Uw needrig hart verdiende méér
   Dan al dien glans van macht en eer,
Die nooit uw zacht blauw oog bekoorde
En slechts uw zielevreê verstoorde
   Meer dan dien rang, die kroon, die zwaar
   U drukte op ’t zilverblonde haar;
Meer – dan eens wuften Konings minne,
   Die – zegt een teer historieblad –U, zijn zachtmoedige vriendinne,
Alleen oprecht heeft liefgehad
Van al zijn schittrende boelinnen ....
Doch straks, in nieuwen roes der zinnen,
Voor een wier fierheid wou verwinnen,
   U op het brekend harte trad!

   Helaas! dat ooit uw zachte naam
   Zich mengde met diens Konings faam!
Ach, Gij – ’t viooltje, liefst verscholen,
   Verscholen op den rand van ’t bosch,
   Het blonde kopje’ in ’t zedig mos –
Wat deed u, lieflijke, verdolen
   Op ’t hoog en vorstelijk terras,
   Daar ’t zonlicht u te schittrend was?
Wat Noodlot deed uw boezem beven,
   En ’t hoofdje’ u zinken op de borst,
Door smart en weelde voortgedreven,
   Toen daar, een jonge, schoone Vorst –
Een zon, met koninklijke stralen,
   Die prachtig oprees aan den trans,
   Doch spoedig tanen zou van glans,
Om straks in nevelen te dalen 1
   Toen Frankrijks afgod, lust en roem
   Uw oogen trof, o stille bloem?
Wat noodlot roofde uw jeugd haar vrede,
   Uw reine ziel haar eêlsten schat,
Verwon, vervoerde u, sleepte u mede,
   Gelijk de bergstroom ’t rozenblad? ....
’t Was Liefde, heilge Vrouweliefde,
   Geboren ter onzaalger uur,
   Doch, als nooit edeler natuur
Of nederiger boezem griefde
   En straks verteerde door haar vuur!
’t Was Liefde in al haar teederheden,
   Met al haar onweerstaanbre macht,
Als nimmer in dat wuft verleden
   Een reiner’ heeft ten val gebracht!
’t Was Liefde, die voor rang noch weelde,
Der onschuld frisschen krans verspeelde,
   Die slechts den Minnaar in den Vorst
   Beminde uit fel getroffen borst ;
Die voor het ruischen en het gloren
   Van rang en aanzien, macht en faam
Met wien heur ziele mocht behooren
Een woestenije had verkoren,
   Een reinen – schoon vergeten – naam!
’t Was Liefde, teeder en verheven,
   Van zelfzucht, eerzucht, hoogmoed vrij,
   Vol ideaal en poëzij –
Toch schuldig! Liefde, die uw leven
   Verwoest heeft; die uw rein gemoed
   Deed blaken in verboden gloed,
   Door strijd en weêrstand slechts gevoed
U zalig en rampzalig maakte –
Tot ge uit uw schrik’bren droom ontwaakte,
   Een Magdalene aan Jezus’ voet!

O Liefde en Hartstocht, Liefde en Zonde!
   Waarom noodlottig op deze aard
   Zoo menigwerven gij – gepaard,
Het reine hart, de heilge sponde
   Onteerend, Edens lentegaard
Vernielend in een wreevle stonde?
   O teedre Minne, bron van goed,
   Van gaven, deugden, heldenmoed,
Waar, waarom is de onheelbre wonde,
   Die gij vaak de eêlste zielen slaat,
   Ook als de slangenbeet van ’t kwaad;
De slangenbeet, die ’t bloed in de aêren
   Vergiftigt en de teedre borst –
(Wat stervling kan zijn hart bewaren!)
   Ontsteekt in doodelijken dorst?
O Liefde, ons tot een troost gegeven,
   Een licht in ’t duistre menschenlot,
   Een vriendlijke Engel, gij, van God,
Die onze woning, onze dreven
   Met paradijsgebloemte siert,
   Die onze schreden steunt en stiert,
Ons veilig draagt door ’t moeilijk leven –
   Zijt ge ook een satansengel, die
   ’t Hoofd met een krans van poëzie
Getooid, betoovrend vuur in de oogen,
Met onweerstaanbaar alvermogen,
   Trots deugd en strijd, de zwakke vrouw
Verrast, vervoerd, zich-zelf onttogen!
   Stort in den poel van zonde en rouw?
En – moest ook de edelste van allen,
   Die ooit in fieren minnaarsgloed
   Een heerscher zagen aan haar voet,
Als ’t offer dezer wreedheid vallen,
   Bezwijken, met nog strijdend hart,
   Verscheurd door liefde en schaamte en smart ?...
O Lelie, wie het Noodlot smette,
   En bloeme, wie de dwarlwind sloeg,
Wier liefde en rouwe ons ’t hart ontzette
   En tranen slechts van deernis vroeg:
Welaan, zoo mogen kloeker vingeren
   U teeknen met het merk der schand,
En steenen u naar ’t voorhoofd slingeren
   In farizeeschen gloed ontbrand –
Doch, om geschonden deugd te wreken,
   Wie, over dit gebogen hoofd,
   Schoon van der onschuld krans beroofd,
Wie durft, wie zal het „schuldig” spreken ?

Niet wij – doch zij
                      De minnaresse,
   Wier zwakheid de ondeugd slechts bespot,
   Die òns wel offer scheen van ’t lot,
Der Liefde groote martlaresse –
   Zij vraagt, voor menschen en voor God,
Geen naam dan die van – zondaresse ! ...
   O stille deernis, pleit haar vrij!
Eisch voor dit beeld van liefde en smarte
De schatting van het peinzend harte!
   Laat, zachte Kunst, laat, Poëzij,
Uw vriendlijk licht, uw milde stralen
Op deze blonde lokken dalen!
   Kroon, kroon het offer met uw krans,
   Bedek haar smetten met uw glans,
Zeg ons haar lijden en haar wonden,
   Haar eedle ziel, haar rein gemoed,
Verheerlijk ons haar teedre zonden
   En haar verboden liefdegloed
   Doch zij, de vrouw aan Christus’ voet,
Heeft beetre dingen te verkonden!
   Zij – ’t oog noô opslaande in Zijn licht –
Heeft zelf haar vonnis uitgesproken,
En uw onschendbren eisch gewroken,
   O heilge deugd en heilge plicht!
   In ’t onontkoombaar zelfgericht,
Met al de rechtheid van ’t geweten,
   Dat vleitaal noch verzachting duldt,
Dat kan verschoonen noch vergeten
   En rust vindt in ’t besef van schuld!
Zij – toen haar star had uitgeblonken,
En straks, aan gloênder minnelonken,
   Haars Konings hart zich overgaf –
   – Oneerbre liefde volgt de straf! –
Zij heeft den kelk van smaad gedronken,
In stillen ootmoed neergezonken,
   Als waar ’t een laafnis voor den gloed
   Der wroeging in ’t ontwaakt gemoed;
Zij heeft gedragen en gebeden;
Zij, ver van ’s werelds ijdelheden,
Een leven lang haar wuft verleden
   Beschreid met heeten tranenvloed –
Doch achtte ’t nooit genoeg gestreden!
   Doch achtte ’t nooit genoeg geboet!
Neen, bleeke schimmen der historie,
   Neen, schoon een wijl voor ’t starend oog,
Omstraald van liefde en lijdensglorie,
   Uw beeld verleidend schittren moog’,
Gij-zelf hebt ’s werelds martlaarskransen,
   Bij ’t kruis uws Redders, stuk getreên
Gij-zelf verbreekt die logenglansen
   En zegt uw rouw, uw schuld alleen:
De groote schuld van ’t menschenharte,
   Dat staêg den afgod kiest voor God,
En heendoolt in de duistre verte,
   Straks prooi der zonde en spel van ’t lot!
Gij-zelf, wat tonen om u fluistren
   Van ’s werelds Liefde en Poëzij,
Die zachtkens ziel en zinnen kluistren,
En ons het oordeel Gods verduistren,
   Eén waarheid slechts verkondigt gij:
Een waarheid, trouw als Christus’ leere:
 
„Het menschenhart behoort den Heere!
   En daar is vrede, vreugd noch licht
   Dan op den engen weg – van Plicht.”
1859

[Genestet pagina] [Coster pagina]


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001