Vliegenvreugd en dichtersmart

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

Och, mijn plannen, och mijn droomen!
’t Rijk der muggen is gekomen,
  En de vliegen zonder tal,
Geven in mijn zonnig huisje,
In mijn warm en stoffig kluisje,
  Wesp en bij haar zomerbal.

’k Ben van nacht schier opgevreten,
Uitgezogen, stukgebeten,
  Door een kannibaalsche mug;
En, sinds de eerste morgenglansen,
Hoorde ik niets dan vliegen dansen,
  Die ontwaakten versch en vlug!

Voor dat razen en dat snorren,
Voor dat blazen en dat knorren
  Is mijn meisje al gevlucht:
Voor haar steken half bezweken
Zijn de zangstertjes geweken
  En verdwenen in de lucht!

  Monstervliegen, helsche koren
Springen om en in mijn ooren; –
  In mijn haren, in mijn hals
Danst een hommel, woest van minne,
Met de vliegenkoninginne,
  Een afgrijselijke wals.

Hoor ze tieren.... kijk ze zwieren
In mijn boeken en papieren,
  In mijn melk en op mijn brood,
In mijn inkt en in mijn suiker,
In mijn vruchten... op den ruiker,
  Dien een trouwe hand mij bood...

’k Ben de monsters nagevlogen,
Dorst naar ’t witte bloed in de oogen,
  ’k Heb ze op stoelen nagewipt;
Eén doorboorde ik, vijf verjoeg ik,
  Een zelfs heb ik... doorgeknipt!

Ondertusschen nieuwe drommen
Rukten aan met turksche trommen,
  En een Simson ben ik niet: –
Op het werken is geen kijk meer;
’k Ben geen kwart ideetje rijk meer
  En prozaïsch van verdriet.

O, genade voor den zanger!
’k Zing en zie en denk niet langer,
  Afgemarteld, afgesloofd...
Legioenen vliegen gonzen,
Item Almanakken bonzen
  Op mijn leeg en bonzend hoofd!


1850

[Genestet pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.