Vogeltjes, die zoo vroeg zingen, krijgt de poes

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

Een vogeltje vroeg in de morgen,
Zong vroolijk en zonder veel zorgen,
  Als vogelkens zijn, een lied.
O vogeltje, hou toch uw snater!
O denk aan den loerende kater –
  Gij zingt... ge ontsnapt hem niet.

Een dichtertje, vroeg in den morgen
Des levens, zong zonder veel zorgen,
  Als dichteren zijn, een lied,
O zangertjen, hoû toch uw snater!
O zie toch dien loerende kater,
Dien kritische, spottende sater –
  Gij zingt.... ge ontsnapt hem niet.

Het vinkje bezweek onder wonden
En klauwen, en werd verslonden,
  En ’t was met het vinkje gedaan,
En de ander? – hij scheurde zijn kleêrtjes
En liet er een bundeltje veêrtjes....
Maar vloog toch weer op in de sfeertjes,
En spoedig ook groeiden zijn veertjes
  Veel mooier, Meneertjes,
                    Weêr aan.


1851

[Genestet pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.