Vreemdelingen

III. In ’t bosch

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

De Herfstwind huilt door ’t eikenbosch,
  De nacht is vochtig koud;
Nat, bibbrend, schuilende in mijn kraag,
  Draaf ik alleen door ’t woud.

Mijn spokende gedachten, zie!
  Ze draven voor mij uit;
En dragen me – als een veer zoo licht –
  Naar ’t huis der verre Bruid.

De wachthond blaft! een half dozijn
  Lakeien licht mij voor;
Ik storm de wenteltrappen op
  Met kletterende spoor.

’t Is in de comfortable zaal
  Zoo geurig lekker warm;
Daar wacht mij de allerliefste maagd,
  Daar vlieg ik in haar arm.

En door ’t gebladert fluit de wind,
  Ha! ha! zegt de eikeboom:
Wat deert u, dolle ruiter! en
  Vanwaar die dolle droom?


[Genestet pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.