VRIENDEN-RAAD EN DICHTERS-ANTWOORD

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

     „Knaap, werp uw luite in ’t vuur, ontspan uw teere snaar,
Leer aan het proza dezer wereld u gewennen!
Wie hoog vliegt, al te vroeg, ver!amt zijn stoute pennen;
     Gij brengt u-zelven, uw gezondheid in gevaar.
Verbreek met manneukracht de zoete tooverketen,
     Die aan de borst der Muze uw ziel gekluisterd houdt:
Of wilt ge vóór uw tijd verlept zijn en versleten,
          Gij, jong en warm thans, oud en koud?

Of wilt ge voor één dag, van dichterweelde dronken ....
     De dagen geven van uw leven, mannenbloei
     En grijsheid, om wier kruin een versche lauwer groei’,
Door welbestede en kalme en wijze jeugd geschonken?
     Bedenk u, ’t is nog tijd, en spot niet met uw kracht
Vergeet uw droomen en uw roeklooze idealen
     Beheersch, de taal niet, maar uw geest; ga langzaam, zacht,
          Leer wachten en leer ademhalen!”

Uw raad is welgemeend en hartlijk, braaf en trouw,
     Eén klein gebrek alleen bederft hem in mijn oqgen:
’t Is onzin, onzin! Ach, onzinnig waar’ mijn pogen,
     Schoon ik, met hart en ziel, hem leidzaam volgen wou.
O boei mijn veder, boei mijn tong, ontsteel de zangen
     Der dichtren aan mijn oog, en wees, uit liefde, hard –
Vergeefs t daar gloeit een lied in ’t tintlen van mijn wangen!
          Het klinkt in ’t kloppen van mijn hart!

’t Is mooglijk dat de kunst des levens krachten slope,
     ’t Is moogljk dat de geest, het lichaam ondermijn’,-
     Laat de engel van mijn lied mijn stervens-engel zijn!
Ik kreeg, ik heb haar lief, als de engel mijner hope!
     Haar ademtocht bezielt mijn leven, ah mijn luit;
Zij spreekt van troost en liefde in meer dan aardsche tonen,
Als de Evangelieleer komt ze in de harten wonen;
          Ik min haar als de knaap zijn bruid!

Och gij, verbiê den knaap, dat hij zijn liefste kusse;
     Verbiê de lava dat zij gloei’; de bergrivier
     Dat zij door ’t groene dal, fel kronkiend, bruis’ en zwier’;
Of zeg aan gindsche ster, da~ zij haar fakkel blussche!
     Neen, ga naar ’t strand der zee, bij ’t barnen op de kust,
En preek den hoogen vloed dat hij in eb verander;
     Of breng, wanneer gij kunt, den storm, de golf tot rust
En keer dan met uw raad .... begrijpen wij elkander?

     De maandroos weet wel, dat zij spoedig leeft, en kort;
Maar kan zij dies bedaard, met overleg, gaan bloeien?
Of wel, haar jonge bhos van zachter kleur doen gloeien,
     Omdat haar vonnis luidt: wees schoon en – ras verdord!
Gelukkig prijkt ze een uur op frisschen maagdeboezem,
     Pas juicht zij in die gunst, of reeds bezwijmt haar gloed –
Mijn jeugd, mijn fantazie is ook een lentebloezem,
     Die op de trouwe borst der Muze sterven moet.

Het zij! Ze heeft zich mij, ik heb mij haar gegeven;
     Zij bleef, waar menig droom en dierbre mij ontvlood,
     Wie scheurt ons van elkaêr? Geen vrienden-raad, geen dood,
Onsterflijk als de ziel zal ze eeuwig met haar leven.
     En, schoon zij de Eva waar’, wier lelieblanke hand
Mijn ziele laven dorst met streng verboden vruchten,
     Een ballingschap met haar is mij een vaderland,
En zonder haar zou ik een Paradijs ontvluchten!
1849.

[Genestet pagina] [Coster pagina]


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001