k Noem mijn huis, vol huwlijkszegen, Kinderliefde en moedermin, Somtijds lachend: Welgelegen; Maar die scherts heeft droeven zin. Welgelegen? woont gij buiten? Of is t uitzicht dan zoo schoon Op uw stadje, door de ruiten? Neen: doch weet ge wáár ik woon? Vlak bij t kerkhof! Al de dooden Moeten steeds mijn huis voorbij En verkonden, stille boden: Heden ik en morgen gij. t Is wel vroolijk! zelfs bij tijden Al te vroolijk! veel te druk Kunnen de ekipages rijden Langs mijn woning vol geluk. k Zucht dan vaak ook: Stille vrinden, Neemt, zoo t kan, de boodschap mee, Dat ik graag bij mijn beminden Nog wat blijven wou in vreê! Vlak bij t kerkhof, maar twee schreden En ge zijt er, gauw en goed, Waar ge lang om heen kunt treden, Maar toch eindlijk rusten moet. Vlak bij t kerkhof, maar één stapje En ik sta er aanstonds voor; Komt mijn tijd voor t laatste stapje k Heb geen rijtuig nodig, hoor! Aaklig, hé, om zoo te wonen Vlak bij t kerkhof, bij je graf?.... Maar, mijn lieven, sterken, schoonen! Woont ge er dan veel verder af?
1858
[Genestet pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.