Ik wou, ik wist een kunstenaar, Die mij een klok verzon, Een klok .... een klok van zessen klaar! Die ik gebruiken kon. Een klok met list en wijs beleid, Een uurwerk van genie, Gevoelig voor gezelligheid, Vol stille sympathie. Een klok, mijn vriend, die nooit te laat Het dierbaar uurtje sloeg, Dat van uw bijzijn mij ontslaat, Want gij plakt lang genoeg. Een klok, o man van hart en geest, O liefeljke vrouw, Die nooit te vroeg op t huislijk feest Me uw bijzijn rooyen zou. Die nimmer, met heur schelle taal, Zoo onbeschaamd, zoo ras Ons rijk gesprek, uw zoet verhaal Kwam storen zeer te onpas. Maar ach, ze vinden, vinden uit Vast wonderstuk bij stuk; Doch waar ik dees mijn wensch beduid, Wordt elk genie een kruk. Men glimlacht om den dwazen wensch, Men wijst mij spottend na, Men zegt : Zoon klok! dat kan geen mensch, Al heet hij Josua. Intusschen gaat het leven voort, Vol strijd en vol gemis, Gedurig wordt de rust verstoord, Het blijft zooals het is. De klokke slaat: de plakker plakt En rooft mijn tijd, och Heer De klokke slaat; de vreugde pakt Haar biezen, keer op keer! Mijn vrienden rooyen mij den tijd, Dien rijkdom, ras verteerd De tijd maakt mij mijn vrienden kwijt, Wier omgang troost en leert. Daarom, tot zich mijn wensch vervult, (t Is mooglijk mettertijd!) Zoo berst mijn hart van ongeduld En klaagt van leed en spijt Ach, waar mijn lied vol dwazen jok, Toch duidelijk genoeg, Dan nu voorloopig maar de klok, Die, plakkers, u verjoeg. Mocht ook mijn lied het klokje zijn, Dat wonderlijk genoeg, O vriend, u boeide aan t klein festijn Als waar t nog bijster vroeg.
[Genestet pagina] [Coster pagina]
Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001