Als ik des zomers, duffe stadswal, u ontweken, Mijn jonge jeugd geniet in zachte hemelstreken, En baad in morgenkoelte en dweep in maneschijn Aan t blauwe Sparen of den dichterlijken Rijn, Waar lieve menschen langs de groene heuvlen wonen, Waar t hooge woud weerklinkt van blijde hemeltonen, Waar ik de bloempjes ken! waar ik den tijd vergeet, En van geen zorg ei neen! van dag noch datum weet; Waar ik geen last heb van mijzelf noch van mijn vrinden, En mij in t dichte bosch geen taaie brief kan vinden, Daar k ook geen nieuws verneem, dan t eeuwig jonge lied, Dat uit den hemel klinkt en in mijn ziele vliet: Dan is t mij soms als liep ik pas in t lieve leven, Als hadde ik niets gesmaakt dan deze zuivre lucht, Als hadde ik niets gehoord dan t fluistrend windgezucht, Als hadde ik niets beschreid, gevoeld, gedacht, geleden Anchio de eerste mensch in t nieuwgeschapen Eden!
1848
[Genestet pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.