Als ik des zomers

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

Als ik des zomers, duffe stadswal, u ontweken,
Mijn jonge jeugd geniet in zachte hemelstreken,
  En baad in morgenkoelte en dweep in maneschijn
  Aan ’t blauwe Sparen of den dichterlijken Rijn,
Waar lieve menschen langs de groene heuvlen wonen,
Waar ’t hooge woud weerklinkt van blijde hemeltonen,
  Waar ik de bloempjes ken! waar ik den tijd vergeet,
  En van geen zorg – ei neen! van dag noch datum weet;
  Waar ik geen last heb van mij–zelf noch van mijn vrinden,
En mij in ’t dichte bosch geen taaie brief kan vinden,
  Daar ’k ook geen nieuws verneem, dan ’t eeuwig jonge lied,
  Dat uit den hemel klinkt en in mijn ziele vliet:
Dan is ’t mij soms als liep ik pas in ’t lieve leven,
  Als hadde ik niets gesmaakt dan deze zuivre lucht,
  Als hadde ik niets gehoord dan ’t fluistrend windgezucht,
Als hadde ik niets beschreid, gevoeld, gedacht, geleden –
Anch’io de eerste mensch in ’t nieuwgeschapen Eden!



1848

[Genestet pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.