IK DROOME ALREE

Ik droome alreê van u, mijn kind,
en van de blijde dagen, de dagen,
dat samen wij, en welgezind,
vliegt dagen, vliegt voorbij gezwind,
ons lief en leed gaan dragen.

Ik droome alreê van u, mijn kind,
noch late ik mij gelegen, gelegen
aan al
dat aardsch en bitter smaakt,
dat t lijf en t lijf alleene raakt,
en daar de geest kan tegen.

Ik droome alreê van u, mijn kind,
ge hebt hem doorgestreden, gestreden
de nacht dien s vijands booze hand
gespreid had om t beloofde land:
gij zijt erin getreden.

Ik droome alreê van u, mijn kind,
en, ga ik langs de straten, de straten
daar heemlijk in mijn herte weunt
t gedacht, daar al mijn hope op steunt
:
God zal u mij toch laten.


Guido Gezelle
(1858 en 1897)


Toelichting

noch late ik mij gelegen, gelegen aan al...: ik bekommer me niet om al wat
en daar de geest kan tegen: waartegen de geest bestand is
gespreid: als een net uitgespannen
erin: in dat beloofde land
daar heemlijk...: dan koester ik (dan woont heimelijk in mijn hart) de gedachte waarop al mijn hoop gericht is
Ingezonden door Constant Broos
HTML: Marc van Oostendorp, voor het Project Laurens Jz. Coster