SCHULDELOOS BLOMMEKE LIEF

Schuldeloos blommeke lief,
dat op mijnen weg ik ontmoete,
laat mij een stonde bij u
toch, laat mij een stondeke staan!

Schuldeloos blommeke lief,
zou immer een mens op u terden,
u, die God zelve gepeisd,
geschapen heeft ende gemaakt?

Hij was uw schepper, Hij dacht,
Hij schikte uw blaarkes, Hij woef dien
blinkenden krans om uw hoofd,
Hij miek u, mijn blommeke lief.

Hij nam het licht van de zon,
een strale uit heur blinkende stralen,
smeltende viel zij op u
en kleurde uwen lachenden mond.

Hij gaf u t lekende zoet
dat aamt om uw geurige lippen,
zaligend al die u naakt:
of was het een ander als Hij?

God, hoe is t minste van al
t oneindige werk uwer handen,
God, hoe is t minste van al
toch wonderlijk, voor die U kent!

Schuldeloos blommeke lief,
van al dat gij blomme mocht wezen
n was er geen stonde, geen een,
dat God u niet geren en zag!

Hét weet alleen dienen God,
die alles bemint, te mishagen,
t menschdom alleen, dat Hij meer
als al dat Hij minde bemint.

Plukkende zeid Hij u: "Dient
mij, prachtige blomme..." gij welktet
en, op zijn schuldige hoofd
gestorven, en diendet g' hem niet.

Schuldeloos blommeke lief,
dat op mijnen weg ik ontmoete,
laat mij een stonde bij u
nog... laat mij een stondeke staan.


Guido Gezelle
(eerste maanden 1859)


Toelichting

terden: treden, trappen
gepeisd:= bedacht
woef: weefde
aamt: ademt
naakt: genaakt
van al dat: van zolang als
Hét: het mensdom
dienen die (dialect: bijvoeglijk aanwijzend voornaamwoord)
Ingezonden door Constant Broos
HTML: Marc van Oostendorp, voor het Project Laurens Jz. Coster