EN DURFT GIJ MIJ

En durft gij mij van dichten spreken,
die nimmer zijt in staat
twee reken
te rijmen dat het gaat!

Het dichten is van God gegeven,
maar niet aan elk ende een
in t leven;
de kunste is niet gemeen.

Laat bloeien al die roos mag wezen,
spruit helder, zijt gij bron;
maar dezen
die
ton zijn blijven ton!

De miere en zal geen peerd heur wenschen,
de krieke geen radijs;
de menschen
alleen zijn niet zoo wijs.

Zoo, elk ende een het zijn! Soldaten
het buskruid, zoo t behoort,
gelaten,
en Dichteren het woord!


Guido Gezelle
(1863?/1877)


Toelichting

Dit gedicht zou een reactie kunnen zijn van de dichter op een ongunstige bespreking van zijn bundel "Gedichten, Gezangen en Gebeden"

twee reken: twee regels
is niet gemeen: is geen gemeenschappelijk bezit
zijt gij bron: indien gij bron zijt
dezen die: zij die heur: zich


Ingezonden door Constant Broos
HTML: Marc van Oostendorp, voor het Project Laurens Jz. Coster