o Eerdentroost, gebloeide blommen,
hoe kommen
die blijdzame oogen, alzoo zaan
als ‘t zomer is, op al de struiken
te ontluiken,
en mij beziende ga te slaan?
Daar is iets in, dat ik te vragen
wil wagen,
en dat ik geerne af u vernam;
daar velen zijn die niet en roeken,
of zoeken
naar ‘t geen hen blijdt, van waar het kwam!
Daar leeft toch Eén, die mijn' twee oogen
u toogen,
gebloeide blommen, wilde; en ‘t is
Hem een' genoegte als ik genegen
Hem zegen,
en ben genietende u, gewis!
Of, is ‘t al blinde nacht en logen,
‘t vermogen,
dat in mij waakt en, waarheidziek,
mij laaft en lescht? Ach neen ‘t. Genezen
wil wezen
die grondelooze graagte die ‘k,
o God, van U gescheiden, drage;
en ‘k vrage
opdat ge mij, voortaan, o Heer,
eens ruste en vrede en weêr dat leven
wilt geven,
dat leven is, en U genieten, immermeer!
Guido Gezelle
(7/10/1891)
eerdentroost = troost voor de aarde
alzoo zaan als ‘t zomer is = van zodra het zomer is
af = van
daar velen zijn die niet en roeken, of zoeken naar ‘t geen hen blijdt, van waar het
kwam = terwijl velen zich niet bekommeren en niet zoeken naar wat hen verblijdt en waar
dat vandaan komt
daar leeft toch Eén, die mijn' twee oogen u toogen, gebloeide blommen, wilde = er leeft toch iemand die u, bloeiende bloemen, aan mijn twee ogen wil vertonen
logen = leugen
graagte = verlangen
immermeer = voor altijd