G E P O E F T  G E P A F T

     Gepoeft, gepaft, ge'n hoort niet el,
     met wappers en met wissen fel,
als smijten, slaan en buischen,
dat beide uwe ooren ruischen,
     op vodde en lap en vuil tapijt,
     dat ‘t kuilt en wentelt wijd en zijd,
van ‘t stof! De greppen zweren
vervaarlijk, onder ‘t scheren
     der groeve en fijne bezems, daar ‘t
     gerokte volk meê henenvaart
de straten langs. Ze gieten,
bij heele en gansche vlieten!
     Past op, en niet te bij en gaat,
     gij heeren: heel dien waterstaat
en zult ge, of ‘t zal u rouwen,
niet stooren. Zwicht de vrouwen,
     die heerschend met den bezem staan,
     of seffens zal hun tonge gaan!
‘t En baat hier niet als vluchten
en, stille of luide, zuchten:
     ‘t Zij binnen of ‘t zij buiten huis,
     geen vrijheid meer: t is "groote kuisch!"
‘k Ga ievers om een glaasken:
te naaste weke is ‘t Paaschen!


Guido Gezelle
(1892)


Toelichting

gepoeft, gepaft = er wordt geslagen en geklopt
ge'n hoort niet el = ge hoort niets anders
wappers = wat dient om te slaan (matteklopper)
buischen = tempeesten
dat ‘t kuilt = dat er zich wolken vormen
de greppen zweren = de greppels kolken
groeve = grove
zwicht = wees op uw hoede voor
groote kuisch = schoonmaak
ievers = ergens
naaste weke = volgende week


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster