GEZELLIANA

Aflevering 11


[Naar aflevering 10]



Nog enkele gelegenheidsgedichten...

Hier volgen nog enkele gedichten die Gezelle - blijkbaar maar al te graag tot dichten bereid - naar aanleiding van bepaalde concrete gebeurtenissen schreef. Het eerste stuk is het resultaat van een occasionele samenwerking tussen de leerling die een soort beurtzang uitlokte met zijn meester: het betreft Karel de Gheldere (1839-1913) en Guido Gezelle. Ze schreven om beurten een strofe van het gedicht Nachtegale schuifelare. De Gheldere was in het kleinseminarie te Roeselare leerling van Gezelle geweest. Hij ontving daar als aankomende student zelfs een zeer hartelijk welkom van zijn professor in het gedicht Zoo welkom als de bie. Dit was het antwoord van Gezelle op een van de Gheldere's schoolse dichtpogingen Gelijk de vlugge bie. Beide stukjes worden hieronder eveneens gereproduceerd.

De Gheldere werd later geneesheer en bleef zich interesseren voor de door zijn leermeester zo bewonderde West-Vlaamse taal. Hij schreef ook gedichten en publiceerde onder andere de bundel Jongelingsgedichten (1861), die hij opdroeg aan zijn professor met wie hij levenslang bevriend bleef. In Twintig Vlaamse koppen brengt Hugo Verriest de vriendschap van deze twee mensen nog eens in herinnering.

"Hier ware het de plaats om nog eens die twee namen, Gezelle en de Gheldere, nevens een te drukken. Het dankgevoelen van Karel de Gheldere klinkt genoeg door dat vers: Gij naamt ons op in uwe machtige armen en kwaamt op uwe borst ons zielen wakker warmen. Zijn wetenschappelijk en dichterlijk samenleven met hem vertelt Karel de Gheldere zelf:

"Wij lagen in briefwissel nopens eenige ongeboekte woorden, waaronder de naam van Nachtegale, schuifelare. In een van mijne antwoorden laschte ik de eerste stroof in van t gedicht en zette er onder: dat is de eerste stroof; maak gij de tweede. Per kerende post ontving ik de stroof: Laat mij naderen, en de bladeren... Ik zond de derde, hij de vierde."

Eerst volgt hier dus dit "wisselgedicht" dat - nog steeds volgens Hugo Verriest - de taal- en de dichtveerdigheid van Karel de Gheldere in zulk helder licht stelt.


N A C H T E G A L E   S C H U I F E L A R E


Overander klaus gedicht door K. De Gheldere en G. Gezelle


          Nachtegale
          Schuifelare
meester van het machtig lied
          dat uw gorgel,
          levend orgel,
uit de groene takken giet.

          Laat mij naderen
          en de bladeren
eens doorkijken, waar gij zit,
          die zoo vreugdig,
          jong en jeugdig,
uw' en mijnen God aanbidt.

          Wonderbare
          kunstenare,
is uw macht niet overdaan,
          van te galmen
          zulke psalmen,
veertig dagen zonder staan?

           - "Neen, ik uite,
          zinge en fluite
lustig mijn lied'ren al,
          tot ik leven
          hebb' gegeven
aan dat na mij zingen zal."

          Uit de lauwe
          zuidergauwen,
half April, t zij warm of koud,
          komt gij t blijde
          lentgetijde
groeten in het bottend hout.

           - "k Ben een blomme
          die rondomme
bloeit in helder klankgeblaârt,
          tot dat verf en
          klank verderve,
blijvende in de vrucht gespaard." -

          Uw schalmeie
          klinkt te Meie
over t koolzaad goudgekleurd,
          klinkt als d'hagen
          bloeien dragen
en de lucht jasmijnen geurt.

          Heinde en verre,
          blomme en sterre,
vogel, dier en zongestraal,
          beken, baren,
          bosschen, blâren,
alles zingt één liefdetaal.

          Die de kleuren
          en de geuren
ons ten voetschabbele leit
          houdt onze oogen
          opgetogen
door uw lied van dankbaarheid.

          Ja! Maar boven
          alle loven
zal des menschen tale slaan,
          en des Heeren
          lof vermeren,
verder dan de tijden gaan.
          Nachtegale
          Schuifelare,
hier is t lied dat wij getween,
          wisselzingend,
          u zijn bringend,
elk zijn deel of waar t al één.

          Zoo ook bouwden
          eens twee ouden
heilig nu, zoo dan nog niet,
          en van vlerken
          even sterke
dichters, t schoon Te Deum lied.

          En zoo zaten
          lang na daten
dezer daar twee anderen toen
          ach hoe falend
          nachtegalend
t nachtergaaltje eens na te doen.

(mei 1881)



Toelichting bij NACHTEGALE SCHUIFELARE

overander klaus gedicht = om beurten een klaus - een strofe - gedicht [door Karel de Gheldere en Guido Gezelle]
veertig dagen zonder staan = men vertelt dat de nachtegaal veertig dagen zingt
k ben een blomme = openingsvers van het gedicht Ego Flos
voetschabelle = voetbankje
of waar t al n = alsof het n was


Z O O   W E L K O M   A L S   D E   B I E


Aan den voorgaanden [bedoeld is Karel de Gheldere]


Zoo welkom als de bie,
          die,
aan t ronken, wijl de last
          wast,
terug met heuren buit
          uit
de velden rijk beblomd
          komt,
zoo welkom zijt ge mij,
          gij,
wanneer ge mij verzet,
          met
hetgeen uw zwervend vlerk-
          werk,
al vliegen achter t land,
          vand:
mijn hoppelend herte klopt
          op t
aanhooren en t verstaan,
          aan
het ruischen van zijn stem,
          hem
wiens vlerken ik vaneen
          scheên
en zenden op de locht
          mocht.

(27/1/1859)



Toelichting bij ZOO WELKOM ALS DE BIE

De oorspronkelijke titel van dit gedicht was "Welkom aan een leerling". Het doelde op de jeugdige student Karel de Gheldere, die hem een gedicht had bezorgd waar dit van Gezelle qua thema en ritme nauw bij aansluit.
wanneer ge mij verzet = ontspanning bezorgt
al vliegen achter t land = al vliegend over...
vand = vond
hoppelend = popelend
wiens vlerken ik vaneen scheên = wiens vlerken ik mocht vaneen scheên
zenden op de locht = de lucht, het leven in sturen


G E L I J K   D E   V L U G G E   B I E


door Karel de Gheldere

Gelijk de vlugge bie, - die
Gelonkt heeft in de blom, - om
Te zoeken achter was, - ras
Vervliegt wanneer ze niet - ziet
Hetgeen ze zoekt: zoo dook - ook
Mijn geest in ieder blom - om
Te zoeken of er was - was;
En in geheel mijn hof - trof
Mijn oog geen enkel blad, - dat
Mij stoffe bieden wou; - k rouw
Op t ongeluk dat mij, - bij
Het zoeken overkwam; - gram
En ontevreden, k zal - t al
Verdraaien zoo ik ben, - en
Gelijk de stroeve maet - gaet,
Zoo gaet de zake bij - mij,
Omdat ik niet en vand - t land
Alwaer t oprechte was - was.



Toelichting bij GELIJK DE VLUGGE BIE

gelonkt = gekeken, gezocht
om te zoeken achter = om te zoeken naar
gram = boos


Uw commentaar en bedenkingen graag aan:
Constant Broos tm.lc@ping.be