GEZELLIANA

Constant Broos (TM.LC@ping.be)
(Aflevering 9)


Hugo VERRIEST (1840-1922), "de pastor van te lande", was gedurende tien jaar priester-leraar aan hetzelfde Klein Seminarie te Roeselare, waar hij als student geïnspireerd werd door en een diepgaande invloed onderging van zijn leermeester Guido Gezelle. Tijdens het schooljaar 1875-76 was Hugo Verriest daar op zijn beurt de leraar van Albrecht Rodenbach, de stichter en bezieler van de Vlaamse studentenbeweging "de Blauwvoeterij". Deze laatste werd dan weer beïnvloed door zijn professor, die vooral de studerende jeugd wist te begeesteren met zijn leuze: "Dat volk moet herleven!". De jonge idealist Rodenbach voelde zich eveneens aangemoedigd door de lectuur van De Kerels van Vlaanderen, een historische roman over het roemrijke verleden van Vlaanderen, die Hendrik Conscience in 1871 publiceerde. Hugo Verriest was eerder het type van de cultuurflamingant en hij was meer politiek gericht dan Gezelle. Hij was ook een charmant en gevierd causeur die zowel in Vlaanderen als in Nederland gevraagd werd. Hij schreef onder andere Twintig Vlaamse Koppen, waarin hij op zijn eigen nogal retorische wijze enkele vooraanstaande Vlaamse figuren uit zijn tijd beschreef. Als laatste in die reeks van twintig Vlaamse koppen, schreef hij uitvoerig over zijn leermeester Guido Gezelle die hij erg bewonderde, zoals duidelijk blijkt uit de aanhef van zijn beschrijving die hier volgt.



GUIDO GEZELLE

Als ik aan mijne vrienden en kennissen eerst zeide dat ik dien boek uitgaf: Twintig Vlaamsche Koppen, antwoordden zij mij: Gezelle komt daarin, niet waar?

Ik bleef twijfelen.

Hij scheen mij te groot... een monster! En boven mijne dracht.

Toch zal ik het beproeven hem te teekenen, en ‘t doen... "so ic can."

Zijn leven ook begeer ik te schrijven, en ben er aan bezig; maar hier schetse ik alleen en boetseere dien kop die sedert veertig jaar boven Vlaanderen uitsteekt.

Wij studeerden aan ‘t Klein Seminarie te Rousselare. Hij wierd er professor benoemd in 1854, en verscheen onder ons. Aanstonds rees zijn beeld in de hoogte boven alle hoofden en teekende in onze oogen.

Hij was schoon, onzeggelijk schoon, en wij stonden vol bewondering voor die schoonheid, die geniale schoonheid, die geheel zijn wezen in mysterieus licht omstraalde.

Zijn kop had dien vorm en die lijnen die den denker, den dichter, den hoogeren mensch, uitteekenen, en die uit onze jongere jaren, door alle tijden van het leven bijbleven. Nu nog vinde ik zijn prachtig beeld van eertijds weder in die lichtprente van zijn borstbeeld die Jules Lagae mij bracht. Zij hangt in mijn groote kamer, onbeschrijvelijk schoon; en ik blijve er vooren staan, lange stonden, en geniete er zijn onmeetbaar wezen van eertijds, van later, van nu: ‘t is Hij.

Eene grondeloosheid lag in hem, eene onbegrijpelijkheid strekte rondom hem, eene eindeloosheid overhing zijne ziel met al hare krachten.

In ons lag er wegens hem eene bewondering, eene nieuwsgierigheid en een gevoelen als voor een raadsel. Onbewust en overdreven was het eene soort van Adoratio. Een God zat achter de gordijn. Ook was het met weêrhouden, schuchteren eerbied dat wij hem bezagen, dat wij, in gemakkelijk verkeer nogtans, met hem handelden en hem beminden.

Wij luisterden naar geheel zijn wezen. Dat wonderlijk wezen, zoo diep, zoo hoog, zoo breed, zoo echt en waar en innig, zuiver als een crystaal vol zonneglans, zinderde voor ons en zong, geheim en luide, en ontwekte in ons en rondom ons eene onbekende wereld vol schoonheid, vol waarheid, vol sterkte, vol lustig blijde leven met diep innig medezinderend genot.

Hij ontwekte in ons den hoogeren mensch. Zijn werk juist was, in de mate van onze natuurkrachten, de verholen machten van onze ziel te doen medezinderen en medeleven met hem.

Alles, dat onder alle vormen en gedaanten in hem ontstelde en zong, ontwekte weêrklank en meêzang in ons. Alles dat vatbaar voor hooger leven in ons verborgen en te slapen neêrlag, hief omhoog, roerde en leefde mede.

Ja, dat heeft als leeraar zijn werk en macht geweest, geheel ons wezen te ontzwachtelen, in groei en bloei te zetten onder zomerlucht en warmte.

De lange donkere verdroten uren van geschreven en gesproken uitleg, vol onware en gebaarde bewondering, zonder ziel en zonder leven, klaarden op en de lucht rondom ons tintelde van zonnestralen.

Gezelle viel in die conventiewereld, in dat gebaren en liegen, in dat verdrieten en verdroten zijn, gelijk hij was. Geheel het onderwijs dat hij onderstaan had, had geene duimprente in zijnen geest gelaten, geen striepken in zijnen kop gegreffied. Hij was er door gegaan, aangeraakt; groeiend, binnen zijn kamerken aan de voordeur, omhoog in zijn wilde wezen, vol ontluikende krachten, vol licht en schemeringen, vol klanken en aardige zangen; luisterend naar den onbekenden buiten en binnen, alles bespiedend, beproevend met geest en hert, en tonge en lippenslag, in verdoken onbewust genieten.

Zoo viel hij in die letterwereld en in dat onderwijs: natuur, waarheid, rechtzinnigheid, hooger licht van geest en hevige berning en hoogvloed van de binnenzee. Wat hij deed, en hoe hij dat deed, is moeielijk om zeggen en uitleggen. Het en is met geen vingeren vatbaar, zooveel te meer dat hij het zelf niet en wist. - Hij was! - en zijn werk was: Zijn! - en het schoone volgens eigen wezen bewonderen en beminnen, en wederom doen bestaan.

Het was het medetrillen, het medezinderen; het was het bespieden, het belonken, het genieten der oude Meesters, en der overprachtige natuur.

Het was het voorzichtig proeven, met lange lippen en stralende oogen, van lateren dichtvloed, van de middeleeuwen, van andere tijden en van onze dagen. Het was het beproeven van onze eigen macht en veerdigheid uit ons eigen wezen.

"Les Auteurs", de Dichters werden ons een onuitsprekelijk genot. Wij lazen de Grieken: Homeros, altijd voort, altijd voort; Aischulos en Sophocles. Nu nog zijn wij indachtig hoe hier en daar de stemme van Gezelle zinderde, hoe zijn woord vertraagde en langsylbig wierd, hoe hij verbleekte.

Wij lazen de Latijnen: min Vergilius, meer Flaccus en wel meest zijne brieven en hekel, Plautus, Terentius, Juvenal en andere.

Wij proefden Dante, Tasso, Francesco da Scese en Fra Jacopone da Todi en Alfonso de Liguori; de Spanjaards en la Serafica Madre Santa Teresa de Jesu. De Engelschen, Shakespeare en Burns en Moore en Longfellow, Noordsche dichters, Duitschers en platduitschers. En de Oude Vlamingen, van van Maerlant tot Pater Poirters toe.

Al de dichters straalden door onze bewonderenden geest en druppelden in onze immer dorstige ziel. Bronnen welden en sprongen, uit alle landen en tijden van de groote wereld; en als of het ware uit een krijstalen beker, met licht doortinteld, gaf hij ons te drinken die lange zoete teugen.


  • Uit: Hugo VERRIEST, Twintig Vlaamsche Koppen.